Hoe de massamoorden te denken – Alain Badiou

Herbekijk de volledige lezing (1u46)

‘Hoe de massamoorden te denken?’ is onze vertaling van de lezing die door de filosoof en dramaturg Alain Badiou gegeven werd na de aanslagen in Parijs in november 2015. De schok van dit evenement – helaas niet de enige en laatste van zijn soort – laat een diep gat achter. In deze tekst legt Badiou stap voor stap de structuur van het hedendaagse mondiale kapitalisme bloot.

Hierin toont hij gedetailleerd aan hoe meer dan de helft van de wereldbevolking en haar jeugd voor de ogen van het kapitaal niet meetelt en er even goed niet zou kunnen zijn – zien we hierin niet stilletjes de logica van opkomend extreemrechts in Europa en de obscene ‘natuurlijke uitdunning’ door de Middelandse Zee?

De nauwkeurig aangetoonde structurele onmogelijkheid om iedereen te kunnen laten werken slaat een gat. Mede door de confrontatie van deze uitgeslotenen met de onmogelijkheid van de eis tot arbeid in het licht van haar bedrieglijk valse belofte: kapitalistisch genot voor iedereen. Dit gat is niet slechts een leegte, ze wordt gesubjectiveerd. Zo zien we dat de hedendaagse frustratie tot een blind nihilistische destructie leidt – zoals de ‘onbegrepen’ brandstichtingen en rellen in de Parijse banlieus en de Engelse rellenopstand door jongeren die winkels plunderen om deze verlangde objecten toch te kunnen verkrijgen. Badiou stelt dat het raciaal-religieus fascisme van de IS deze frustratie weerspiegelt en betekenis geeft, met opnieuw dezelfde beloften: vrouwen, geld, een huis, een auto, een identiteit, … met een schijnfundament in religie maar vanuit precies dezelfde kapitalistische logica.

De lezing eindigt in een noodkreet voor een nieuwe subjectiviteit gestoeld op een écht geloof in iets wat radicaal breekt met deze kapitalistische wereldvisie. Hij roept op om een alliantie te creëren die het komende communisme zal dragen: het internationale proletariaat, vrije intellectuelen en een jeugd die zich afvraagt wat deze wereld hen te bieden heeft wanneer ze aan de rand van de afgrond staat. 

Inleiding

Vanavond zou ik willen spreken over wat er gebeurd is op vrijdag 13 november, over dat wat ons is overkomen, dat wat er gebeurd is in deze stad, in dit land, in deze wereld uiteindelijk.

Allereerst zou ik willen zeggen in welke geestestoestand dat ik vind dat we moeten praten over deze gruwelijke tragedie; want natuurlijk, zoals we weten, en zoals waar op een gevaarlijke manier op is gehamerd door de pers en door de autoriteiten; de functie van het affect, van de gevoelige reactie is, in dit soort situatie, onvermijdelijk en in zekere zin onontbeerlijk. Er is zoiets als een trauma, als het gevoel van een ondraaglijke uitzondering in de loop van het gewone leven, een onverdraaglijke inbreuk op de dood. Daar is er iets wat zich oplegt aan ons allen en dat we niet kunnen vatten, noch bekritiseren. Echter, men moet weten –dit is een vertrekpunt met betrekking tot wat ik de geestestoestand noem – dat dit onvermijdelijk affect, bij deze soort van tragische omstandigheden, meerdere risico’s bevat; risico’s waarop ik toch steeds opnieuw wil wijzen om aan te geven wat mijn methode zal zijn.

Ik zie drie hoofdrisico’s aan dewelke de complete overheersing van trauma en affect ons blootstelt na dit drama. Het eerste is het toelaten aan de Staat om nutteloze en onaanvaardbare maatregelen te nemen die in werkelijkheid voor eigen winst functioneren. De Staat is bruusk op de voorgrond van het toneel gezet en vindt tijdelijk een functie van symbolische representatie terug (of denkt dit terug te vinden) als garant voor de eenheid van de natie en andere soortgelijke houdingen. Wat ons toelaat, ik kom er nog op terug, om bij dit leidend personeel een best sinister, maar evident genot gewaar te worden bij deze criminele situatie. Onder deze voorwaarden moeten we wel een maatregel naleven. We moeten in staat zijn om in hetgeen gedaan is, in hetgeen is uitgesproken, dat wat onvermijdelijk en noodzakelijk is te onderscheiden van dat wat nutteloos en onaanvaardbaar is. Dat is de eerste voorzorg die ik zie, een voorzorgsmaatregel ten aanzien van het, ik herhaal het nog eens, onvermijdelijke en onontbeerlijke karakter van het affect.

Het tweede risico van deze gevoelsoverheersing, laten we het zo noemen, is om identificatorische driften te versterken. Het is evenwel een natuurlijk mechanisme. Het is evident dat wanneer iemand toevallig sterft in een familie, deze familie zich herenigt, zich terug vastklampt aan elkaar, en de banden zich in zekere zin versterken. Dezer dagen verzekert men ons, zegt men ons, herhaalt men ons, met de driekleurige vlag in de hand, dat een afschuwelijke moord op het Frans territorium niet anders kan dan het nationaal gevoel te versterken. Alsof het trauma automatisch een identiteit terugkaatst, wanneer de woorden “Frans” en “Frankrijk” van overal uitgesproken worden, als een evident bestanddeel van de situatie. Wel, we moeten ons de vraag stellen: in welke hoedanigheid? Wat is “Frankrijk” in dit geval? Waar spreken we over als we het vandaag over “Frankrijk” en de “Fransen” hebben? In feite zijn dit zeer complexe vragen. We mogen deze complexiteit absoluut niet uit het oog verliezen: de woorden “Frankrijk” en “Frans” hebben vandaag de dag geen enkele specifiek triviale of specifiek evidente betekenis. Ik denk dat we bovendien ons best moeten doen om, tegen deze identificatorische drift in, die de verschrikkelijke gebeurtenis in een soort valse schijn opsluit, onszelf eraan te herinneren dat zulke angstwekkende massamoorden elders elke dag gebeuren. Elke dag, ja, in Nigeria en in Mali, recentelijk nog in Irak, in Pakistan, in Syrië… Het is belangrijk om ook te onthouden dat enkele dagen geleden tweehonderd Russen zijn vermoord in hun gesaboteerd vliegtuig, zonder dat de emotie in Frankrijk hoog opliep. Misschien identificeren de veronderstelde “Fransen” de Russen wel allemaal als de stoute Putin! Ik denk dat het een van de fundamentele taken van vandaag is van de gerechtigheid, om zo ver als mogelijk de plaats van publieke affecten te verbreden, om te strijden tegen hun identificatorische beperking, om te onthouden en te weten dat de plaats van ellende een plaats is die we definitief kunnen beschouwen als de ladder van de gehele menselijkheid en dat we ons nooit moeten opsluiten in uitspraken die zich beperken tot de identiteiten. Het idee dat bij een ongeluk enkel de identiteit van de slachtoffers van tel is, is een gevaarlijke perceptie van de tragische gebeurtenis zelf, want dit transformeert het idee van gerechtigheid onvermijdelijk in wraak.

Kennelijk lijkt de verleiding tot wraak in dit soort massamisdaden een natuurlijke drift. Het bewijs daarvoor is dat in ons land, dat steeds pocht een Rechtsstaat te zijn en de doodstraf verwerpt, de politie de moordenaars doodt vanaf ze hen vinden, zonder enige vorm van proces, en dat niemand zich daardoor gekrenkt voelt. Men moet echter bekennen dat wraak, ver van een juiste actie te zijn, steeds een cirkel van gruwel opent. In de grote oude Griekse tragedies plaatste men de logica van gerechtigheid al tegenover de logica van wraak. De universaliteit van gerechtigheid werd tegenover de familiale, provinciale, nationale, identificatorische wraak geplaatst. Dat is het fundamentele onderwerp van de Oresteia van Aeschylos. De identificatorische bron van de tragedie is van juist hetzelfde gevaar als de zoektocht naar de moordenaars als pure en simpele wraakzuchtige jacht: “Nu is het aan ons om te doden wie gedood heeft.” Misschien is er iets onvermijdelijk in het verlangen om wie gedood heeft te doden. Maar men moet zich allerminst verheugen op het vermoorden van een moordenaar, door het te verkondigen of te bezingen als een overwinning van het denken, van de geest, van de beschaving en van de gerechtigheid. De wraak is een primitief gegeven, verachtelijk en bovendien gevaarlijk. De Grieken hebben ons dit reeds lang geleden geleerd.

Vanuit dit oogpunt zou ik mij ook zorgen willen maken over zaken die als vanzelfsprekendheden ontvangen zijn geweest zoals bijvoorbeeld de verklaring van Obama. Deze verklaring zag er heel onschuldig uit. Ze duidde deze verschrikkelijke misdaad als een misdaad, niet enkel tegen Frankrijk of Parijs, maar tegen de gehele mensheid. Heel goed, heel juist. Maar president Obama verklaart dit niet elke keer wanneer er een massamoord van deze aard plaatsvindt, hij doet dit niet wanneer dit verder gebeurt, in een onbegrijpelijk geworden Irak, in een vaag Pakistan, in een fanatiek Nigeria of in een Congo dat het hart van de duisternis is. Deze uitspraak bevat dus het verondersteld voor de hand liggend idee dat deze gekwetste menselijkheid zich eerder in het Europese Frankrijk bevindt, en zonder twijfel ook eerder in de Verenigde Staten, dan in Nigeria of in Indië, in Irak, Pakistan of Congo.

Feitelijk wil Obama er ons aan herinneren dat de menselijkheid voor hem allereerst identificeerbaar is in ons goede oude Westen. We kunnen het als volgt stellen: menselijkheid = Westen. We horen het als een basso continuo, in zowel officiële als journalistieke verklaringen. Eén van de vormen van deze onaanvaardbare identificatorische zelfgenoegzaamheid neemt de vorm aan van de oppositie tussen barbaren en beschaafden, waar ik nog op terug kom. Welnu, het is schandalig vanuit de meest elementaire rechtvaardigheid dat men, zelfs indirect, laat horen dat delen van de mensheid minder menselijk zijn dan andere, en ik denk dat dit in dit geval is gebeurd en dat het zo nog zal doorgaan.

Ik denk dat we moeten breken met deze zeer aanwezige gewoonte, inclusief de manier waarop zaken verteld, voorgesteld en gerangschikt worden of in tegendeel, verzwegen of doorstreept worden. Ja, men moet deze bijna onbewust ingeschreven gewoonte verliezen te denken dat één westerse dode verschrikkelijk is en duizend doden in Afrika, Azië of in het Midden‐Oosten, zelfs Rusland er niet zoveel toe doen. Deze gewoonte om zichzelf te zien als vertegenwoordiger van de mensheid in zijn geheel en de menselijke beschaving als dusdanig is uiteindelijk een uitloper van het koloniaal imperialisme, de erfenis van wat we het Westen noemen; zijnde de hoogontwikkelde, beschaafde en democratische landen. Dit is het tweede gevaar dat ons opwacht als we enkel op basis van onze affecten reageren.

Tenslotte is er nog een derde gevaar, dat er in bestaat om exact te doen wat de moordenaars verlangen, namelijk een effect van ontregeling verkrijgen dat zich uit in een onophoudelijke bezetting van het toneel op een anarchistische en gewelddadige manier. Ze willen bovendien een passie creëren in de kring van de slachtoffers die maakt dat daders en slachtoffers niet langer kunnen onderscheiden. Want het doel van een dergelijk bloedbad, van dit type verwerpelijk geweld, is om bij de slachtoffers, hun families, buren en landgenoten een soort ‘obscuur subject’ op te wekken ‐ ik noem het zo, een tegelijkertijd gedeprimeerd als wraaklustig obscuur subject ‐ dat getekend is en zich legitimeert door het karakter van een gewelddadige slag, door het bijna onverklaarbare van de misdaad, maar dat zich eveneens conformeert aan de strategie van haar opdrachtgevers. Deze strategie anticipeert op de effecten van het obscuur subject: de redelijkheid verdwijnt, inclusief de politieke redelijkheid, het affect treedt op de voorgrond en het koppel van de ontmoedigde depressie ‐ “ik ben verdwaasd”, “ik ben gechoqueerd” ‐ en de wraakgeest woekert. Dat koppel dat de Staat en de officiële wraaklustigen eender wat gaat laten doen. Op deze manier zal het obscuur subject, conform aan de verlangens van de criminelen, in staat blijken om op zijn beurt het slechtste uit de mens te halen. Dat moet uiteindelijk erkend worden als parallel met de strategie van de misdadigers.

Om het hoofd te bieden aan deze drie risico’s denk ik dat we er aldus toe moeten komen om te denken wat er gebeurd is. Laten we vertrekken van het principe dat niets van wat de mens doet ondenkbaar is. Zeggen dat men het “niet begrijpt”, noch “wil” of “kan begrijpen” is steeds opnieuw een nederlaag. We mogen niets in het register van het ondenkbare laten. De roeping van het denken is deze wil tot begrijpen, het ‘ondenkbare’ denken, als ware het een verzet. Er zijn natuurlijk absoluut irrationele, criminele en pathologische gedragingen, maar zij vormen voor het denken een object als een ander, dat door het denken noch in de steek gelaten wordt noch als onmogelijk wordt beschouwd. De verklaring van het ondenkbare is altijd een nederlaag voor het denken, en de nederlaag voor het denken is steeds een overwinning voor irrationele en criminele gedragingen. Ik ga dus hier voor u een integrale verheldering van wat er gebeurd is, wagen. Ik ga deze massamoord in zekere zin behandelen als één van de talrijke actuele symptomen van de ernstige ziekte die de hedendaagse wereld in zijn geheel teistert. Ik ga proberen om de eisen of de mogelijke wegen voor een genezing van deze ziekte op lange termijn aan te duiden, waarvan de toename van dergelijke gebeurtenissen in de wereld een kenmerkend gewelddadig en tevens ‘spectaculair’ symptoom is.

Deze wil tot integrale verheldering zal de logica van mijn uiteenzetting bepalen. Eerst en vooral ga ik proberen te vertrekken vanuit de situatie van de wereld in zijn geheel zoals ik ze zie ‐ik geloof namelijk dat deze synthetisch te denken is‐, naar de massamoorden en de oorlog te gaan die vanuit de Staat zijn verklaard. Daarna zal ik in omgekeerde zin werken, namelijk naar de situatie in zijn geheel. Niet zoals ze is, maar zoals we zouden moeten verlangen dat ze wordt, willen en handelen opdat de schijnsymptomen verdwijnen.

Allereerst zal onze beweging dus van een algemeenheid van de wereldsituatie naar de gebeurtenis gaan die voor ons van belang is. Vervolgens komen we terug van deze gebeurtenis naar de wereldsituatie zoals we ze verhelderd zullen hebben. Deze heen‐en‐weerbeweging zou ons moeten toelaten om een zeker aantal noodzakelijkheden en taken aan te duiden. Mijn uiteenzetting zal zeven opéénvolgende delen bevatten.

Het eerste deel behandelt de objectieve structuur van de hedendaagse wereld, het algemeen kader dat zich nu hier voordoet maar dat zich elders bijna elke dag voordoet. Dat is de objectieve structuur van de hedendaagse wereld zoals ze is opgesteld sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hoe is het met onze wereld gesteld, nu deze structuur sinds iets langer dan 30 jaar eerst op sluimerende wijze binnendrong, daarna vanzelfsprekend geacht en uiteindelijk geradicaliseerd werd? Ten tweede zal ik de grootste effecten van deze hedendaagse wereldstructuur onderzoeken op de bevolking, op haar diversiteit, op haar verwardheid en op haar subjectiviteiten.

Dat zal ons voorbereiden op mijn derde punt, dat de typische subjectiviteiten betreft die hierdoor zijn gecreëerd. Ik geloof namelijk dat deze wereld singuliere subjectiviteiten gecreëerd heeft die karakteristiek zijn voor deze periode. Zoals jullie zullen zien zal ik drie typische subjectiviteiten onderscheiden.

Het vierde onderdeel, dat me dichter bij het werkelijke onderwerp van deze uiteenzetting zal brengen, bespreekt wat ik de hedendaagse figuren van het fascisme zal noemen. Zoals jullie zullen zien denk ik dat de daders van wat er hier is gebeurd de naam “fascist” waardig zijn, zij het in een hernieuwde en hedendaagse betekenis van de term. Dat brengt ons tot het punt waarop ik de omgekeerde richting zal inslaan, naar een reflectie over hoe we de wereld kunnen veranderen en gelijkaardige criminele symptomen kunnen uitsluiten. Mijn vijfde gedeelte zal dus toegewijd zijn aan de gebeurtenis zelf, in zijn verschillende samenstellingen. Wie zijn de doders? Wie zijn de daders van deze massamoord? En hoe kwalificeren we hun actie?

Ten zesde zullen we het over de reactie van de Staat en de vormgeving van de publieke opinie rond de twee woorden “Frankrijk” en “oorlog” hebben.

Het zevende deel is volledig toegewijd aan de poging om een alternatieve gedachtegang te construeren en zich met andere woorden te kunnen onttrekken aan de vormgeving van de publieke opinie en de reactieve oriëntatie van de Staat. Dit zal gaan over de voorwaarden die verhelderd zullen zijn door het geheel van het traject, zijnde de voorwaarden van wat ik een terugkeer van de politiek zal noemen, in de zin van een emancipatiepolitiek. Een terugkeer van een politiek die weigert opgenomen te worden in het hier uiteengezette huidige wereldschema. Ik zal hier deel van uitmaken.

1. Structuur van de hedendaagse wereld

We zullen het hier hebben over de hedendaagse wereld, zowel hoe ik het zie als hoe dit ons zal helpen om te verduidelijken wat er voor ons op het spel staat. Ik denk dat we het in brede termen in drie thema’s kunnen omschrijven, thema’s die diep verstrengeld zijn, diep vermengd.

Allereerst zal het een pijnlijke banaliteit lijken, maar naar mijn mening zijn de conclusies met betrekking tot deze banaliteit verre van getrokken: het feit dat de triomf van het gemondialiseerd kapitalisme sinds dertig jaar heerst, waarvan wij getuige zijn.

Deze triomf is allereerst zeer duidelijk zichtbaar in de terugkeer van een bepaalde primitieve energie van het kapitalisme, wat men met de discutabele naam ‘het neoliberalisme’ heeft bestempeld welke in feite de teruggevonden constitutieve verschijning en doeltreffendheid van de constitutieve ideologie van de kapitalisme sinds de oorsprong betreft, zijnde het liberalisme. Het is niet zeker of “neo” hier op zijn plaats is. Ik geloof niet dat hetgeen nu gebeurt wel zo “neo” is als we het van dichtbij bekijken. In elk geval is de triomf van het gemondialiseerd kapitalisme een soort van hervonden energie, de teruggekomen en onbetwiste capaciteit om de algemene karakteristieken van deze zeer specifieke productieorganisatie van uitwisselingen en uiteindelijk gehele samenlevingen met zijn pretentie de enige redelijke weg te zijn voor het historisch lot van de mensheid op een nu publieke wijze en zonder de minste schroom te tonen. Dit alles wat uitgevonden en geformuleerd is geweest rond de achttiende eeuw in Engeland en wat vervolgens gedurende decennia gedomineerd heeft, is met een soort woest plezier hernomen door de meesters van vandaag.

Het gemondialiseerde karakter geeft het echter een iets andere wending. Vandaag hebben we te maken met een expliciet kapitalisme op planetaire schaal. Dit mondiaal kapitalisme is bijgevolg niet alleen een kapitalisme dat zijn ontbindende energie heeft teruggevonden, maar ook een ontwikkeling doormaakte en zich verheven heeft tot een globale structuur, die een onbetwistbare overheersing van de planeet belichaamt. Het tweede thema is de verzwakking van de staten, een vrij subtiel doch zeer interessant gevolg van het eerste. Jullie weten allemaal dat één van de meest geridiculiseerde thema’s van het marxisme het thema van het wegkwijnen van de Staat is geweest. Na de revolutionaire vernietiging van de door het kapitalisme overheerste Natiestaten, kondigde het marxisme aan dat de reorganisatie van de Staat door een krachtige collectieve beweging van communistische inslag definitief een samenleving zonder Staat zou ontwikkelen, die Marx de samenleving van “de vrije associatie” noemde. Goed, we merken een volstrekt pathologisch fenomeen op, zijnde een kapitalistisch proces van Staatsvernietiging. Dit essentieel, gedurende lange tijd verborgen fenomeen, bleef door het bestaan van de staatspolen voldoende krachtig voor een historisch waarschijnlijk voldoende lange tijd. In werkelijkheid bestaat de algemene logica van het gemondialiseerd kapitalisme er niet in om een directe en intrinsieke verhouding met het bestaan van de nationale Staat te hebben omdat zijn ontwikkeling vandaag transnationaal is. Vanaf de jaren zestig hebben we het multinationale karakter van de grote bedrijven expliciet benadrukt. Toch zijn deze grote bedrijven sindsdien transnationale monsters van een heel andere natuur geworden.

Ten slotte zou ik het derde thema de nieuwe imperiale praktijken noemen, de actiemodi ten krachte van, als ik het mag zeggen, de mondiale uitbreiding van het kapitalisme, de nieuwe figuren van het imperialisme, met andere woorden van de verovering van de planeet als basis van het bestaan en van winst voor het kapitalisme. Ik herneem deze thema’s één per één.

1.1. De triomf van het gemondialiseerd kapitalisme

De triomf van het gemondialiseerd kapitalisme is een evidentie die in ieders geest aanwezig is. Vandaag is de mondiale markt het absolute oriëntatiepunt van de planetaire historiciteit, ze komt onophoudelijk ter sprake. We weten maar al te goed dat zodra de beurs van Shanghai siddert, de hele wereld zich zorgen maakt, geterroriseerd lijkt, zich afvraagt wat er gaat gebeuren, enzovoort…

De agressiviteit die deze extensie van het dominante karakter van de mondiale markt als oriëntatiepunt met zich meebrengt, is buitengewoon spectaculair. We dragen vandaag bij tot de algemene destructie van voorafgaande pogingen tot het introduceren van een maat in het kapitaal. Ik noem “maat” de verleden compromissen, meer bepaald in de periode na de Tweede Wereldoorlog, tussen de logica van het kapitaal en andere logica’s. Andere logica’s die de vorm konden aannemen van logica’s van staatscontrole, toegevingen aan de vakbonden, terughoudendheid ten aanzien van de industriële en bancaire concentraties, logica’s van partiële nationalisatie, controlemaatregelen voor excessen m.b.t. het privaat bezit, antitrustwetten… Er werden ook maatregelen geïntroduceerd om de sociale rechten van de bevolking uit te breiden, zoals de mogelijkheid voor wie dan ook om toegang te hebben tot zorg, of voorschriften om de mogelijkheid om private uitoefening van liberale functies in te perken, enzovoort, enzovoort. Dit alles wordt momenteel systematisch vernietigd, eveneens in de landen die hiervoor het paradigma vormden. Ik spreek zelfs niet over socialistische staten, of zelfs socialistische landen: Frankrijk was een van deze landen die het meeste voorbeelden bood van deze idee van maat. Aldus vernietigt men vandaag dit alles met een extreme toewijding. Men is uiteraard begonnen met de denationalisaties, door middel van privatiseringen. Het woord “privatisering” is volstrekt agressief, hoewel dat vandaag al te vaak vergeten wordt. Het is een woord dat op directe wijze duidt op het feit dat activiteiten die bestemd waren voor het algemeen welzijn, moeten gerestitueerd worden aan het private bezit als zodanig. Het is een woord dat getuigt van een buitengewone agressiviteit, ofschoon het nu een banaliteit is geworden. Precies zo, en op onophoudelijke wijze – of het nu gaat om links of rechts, op dit punt is er geen enkel verschil – zijn volledige delen van de sociale wetgeving afgebroken. Denk maar aan het arbeidsrecht, aan de sociale zekerheid, aan het onderwijssysteem…

Er moet worden ingezien dat de objectieve overwinning van het gemondialiseerde kapitalisme een destructieve en agressieve praktijk is. Het is niet louter een geval van doordachte of rationele expansie van een particulier productiesysteem. En we kunnen enkel ongerust zijn omtrent het zwakke verzet ten aanzien van deze opeenvolgende verwoestingen. Deze verzetsbeweging is in feite een constant terugkrabbelen. Ze is gelokaliseerd, versnipperd, zeer vaak corporatistisch, sectoraal, en wordt door geen enkele eenheidsvisie ondersteund. In werkelijkheid is dit terugkrabbelen onafgebroken aan de gang sinds dertig jaar geleden.

De tendens volgend, houden we er een dominante representatie op na die verbiedt om de minste vorm van maat op te leggen aan het kapitalisme. In die zin kunnen we zeggen dat de logica van het kapitaal bevrijd is. Het liberalisme is bevrijd. Voilà. Wij maken reeds dertig jaar, haast jubelend, de bevrijding van het liberalisme mee. En die bevrijding neemt twee vormen aan: de mondialisering, dat wil zeggen, de onafgebroken expansie van het kapitalisme over volledige territoria, zoals China, en tezelfdertijd de buitengewone kracht in haar typische dialectische beweging van de concentratie van het kapitaal: het breidt zich uit, en al uitbreidend concentreert het zich. De expansie en de concentratie zijn twee sterk verweven modaliteiten binnen het veelzijdige karakter van het kapitaal.

De concentraties volgen zich dus op terwijl de privatiseringen en verwoestingen versnellen. Jullie hebben allemaal de recente fusie opgemerkt, gezien deze nogal een spectaculair kantje heeft, van Fnac en Darty, twee van de parels van de grote distributie. We zitten in dit geval met een fusie van het boek en de koelkast. Het is duidelijk dat het doel strikt financieel is en dat het de puur kapitalistische fusie karakteriseert, zonder belangstelling voor het publieke. Deze concentraties creëren zo op progressieve wijze machtspolen op gelijke voet met de staten, zoniet superieur aan velen onder hen. Het gaat om financiële, productieve, soms speculatieve machtspolen, steeds met betrekking tot een omvangrijk personeel, en vaak begiftigd met krachtige milities. Ze verspreiden zich overal, vaak door middel van kracht, steeds door middel van corruptie. Deze polen zijn transnationaal, zodat ze zich diagonaal verhouden tot staten. Ten aanzien van deze transnationale en massieve polen, verliest de staatssoevereiniteit al haar vanzelfsprekendheid. Het is op deze manier dat we kunnen constateren dat bedrijven van aanzienlijke omvang, het grootste Frans bedrijf bijvoorbeeld, Total, geen enkele belasting betaalt in Frankrijk. Uit wat bestaat dan zijn “Frans” karakter? Akkoord, zijn zetel moet ergens in Parijs gevestigd zijn, maar… Ziet u, de Franse staat heeft zelfs geen echte grip op die machtspolen die hun Franse nationaliteit afficheren. Er is een overwinning gaande, wijdverspreid en vertakt, van transnationale bedrijven op de soevereiniteit van de staten. Maar er is ook een subjectieve overwinning die deze objectieve overwinning van het kapitalisme begeleidt. Het is de ontworteling van de idee van een andere mogelijke weg. Dit is van aanzienlijk belang, want het is de in zekere zin strategische bevestiging van een andere globale, systemische oriëntatie van de organisatie van de productie en het sociale spel die momenteel in de praktijk afwezig is. Het is zelfs zo dat de initiatieven tot verzet, tot het herinvoeren van de maat, enzovoort, zich reeds in een doemdenkende visie situeren van de algemene beweging. Deze initiatieven zijn niet ingeschreven in een strategie die de herovering inhoudt van de territoriale gebieden van de idee, maar ze zijn de machteloze nostalgie naar het tijdperk van de sociale compromissen en de maatregelen van semi‐staatscontrole op het kapitaal.

Het is frappant om te zien dat het programma van de Nationale Raad van het Verzet het magnifieke nostalgische model geworden is van Frankrijk. Hetzij de periode waarin, aan het eind van de nazistische bezetting, gedurende dewelke Franse kapitalisten zeer vaak hadden gecollaboreerd met de bezetter, de alliantie van gaullisten en communisten belangrijke maatregelen oplegden tot deprivatisering en sociale herverdeling.

Maar deze nostalgie naar het reformistische programma aan het einde van de oorlog vergeet dat men destijds ten eerste uit een wereldoorlog kwam, ten tweede dat de collaborerende bourgeoisie zich niet durfde te tonen en ten derde, dat er een machtige communistische partij bestond. Vandaag de dag bestaat niets van dit alles. En de nostalgie naar het sociale programma van de NRV is een droombeeld dat volledig losgemaakt is van de spectaculaire subjectieve overwinning van het gemondialiseerde kapitalisme. Deze overwinning heeft, op een tamelijk korte periode, tussen 1975 en vandaag, gezorgd voor het annuleren, het tot niets reduceren van de kracht van de idee dat, welke moeilijkheden ook, er een andere mogelijkheid bestond. De idee die, nog in de jaren ’60­’70 van de laatste eeuw, miljoenen politieke revoltes bezielde over de hele wereld. Deze idee, waarvan de generische naam sinds de 19e eeuw “communisme” luidt, is vandaag de dag zo ziek dat men zich schaamt louter door haar te noemen. Enfin, daar hoor ik niet bij. Maar op het gezamenlijke niveau is ze gecriminaliseerd. Deze criminalisering kan redenen hebben: Stalin, enzovoort.

Maar het doel nagestreefd door de aanhangers van de kapitalistische mondialisering is geenszins een ethisch doel, zoals hun pennenlikkers doen geloven. Zij hebben tot doel de ontworteling, zo mogelijk definitief, van de idee van een globaal, mondiaal, systemisch alternatief op het kapitalisme. We zijn van twee naar één overgegaan, dat is fundamenteel. Het is niet hetzelfde wanneer er over eenzelfde vraag twee conflicterende ideeën zijn of maar één. En het is deze uniciteit die de sleutelrol speelt in de subjectieve triomf van het kapitalisme.

1.2. De verzwakking van de Staten

De staten zijn vandaag de dag per slot van rekening slechts de lokale beheerders van deze ruime mondiale structuur. Ze vormen een soort van bemiddeling, die trouwens instabiel is, tussen de algemene logica die ik net beschreven heb en de particuliere situaties, gedefinieerd door landen, coalities, federaties, staten… Het hangt af per geval. En er is verre van sprake dat de norm van de macht gepresenteerd is door de staten en wel door deze alleen. Uiteraard bestaan er nog staatspolen die geconstitueerd zijn of die nog een zekere kracht manifesteren, de grote polen van het type van de Verenigde Staten, China. Maar zelfs in deze gevallen zien we het hierboven beschreven proces zich voltrekken. Deze grote polen zijn geen dragers van vernieuwing. Zoals ik al zei, grote bedrijven hebben het formaat van gemiddelde staten. Het is trouwens zeer opmerkelijk dat de banken zelf zo’n imposant geheel zijn geworden dat men zoals een axioma aanneemt dat hun val onmogelijk is: “Too big to fail.” Te groot om te falen. Dat is wat men vaak zegt over de grote Amerikaanse banken, wat betekent dat de economische macroscopie de bovenhand haalt op de statelijke capaciteit. Dit is wat ik de verzwakking van de staten noem. De staten zijn in grote mate verworden tot hetgeen Marx er reeds over dacht, met name “de machtsmandatarissen van het kapitaal”. Ik weet echter niet of Marx zijn gelijk ooit zo had kunnen inbeelden zoals het hem gegeven is door de realiteit van de laatste dertig jaar. De staten zijn niet alleen de machtsmandatarissen van het kapitaal, er bestaat ook meer en meer een soort van discordantie tussen de schaalverdeling binnen het bestaan van grote bedrijven en die van de staten, waardoor het bestaan van grote bedrijven diagonaal tegenover datgene van de staten komt te staan. De macht van de grote industriële, bancaire of commerciële conglomeraten stemt noch met de statelijke sfeer overeen, noch met deze van coalities van staten. Deze kapitalistische macht dwarst de staten alsof ze er tegelijkertijd onafhankelijk en meester van is.

Dit brengt mij tot mijn derde punt, met name de nieuwe imperiale praktijken.

1.3. De nieuwe imperiale praktijken

Zoals u weet was het oude imperialisme, dat van de 19e eeuw, volstrekt afhankelijk van het nationale idee van de natiestaat. Zijn mondiale organisatie was schatplichtig aan een verdeling van de wereld onder machtige staten die plaatsvond op bijeenkomsten, zoals de bijeenkomst te Berlijn in 1885, waar men Afrika zoals een taart in stukken sneed. Een stukje voor Frankrijk, een stukje voor Engeland, een stukje voor Duitsland, enzovoort. En waar men een vanuit Europa geleide macht instelde voor het directe beheer van de bezette grondgebieden, met natuurlijk de aanwezigheid van grote grondstofrovende bedrijven en de eventuele medeplichtigheid van enkele lokale notabelen.

Vervolgens waren er de wereldoorlogen, de oorlogen van nationale bevrijding, was er het bestaan van het socialistisch blok dat de oorlogen van nationale bevrijding ondersteunde. Kortom, dit alles heeft langzamerhand, gedurende de jaren ’40 tot ’60 en later, een einde gemaakt aan het regime van directe administratie dat kolonialisme wordt genoemd in strikte zin van het woord, nl. de vestiging van een eigen staatsmacht in de gedomineerde regio’s.

Desondanks bleven de gewezen kolonisatoren de bescherming van de bedrijven en de controle op grondstofcircuits en energiebronnen met eigen staatsmiddelen bemiddelen. Deze taken konden niet enkel door het staatsdienende bedrijfsleger worden opgenomen. Er is dus, sinds jaren, zelfs decennia, een onophoudelijke militaire activiteit aan de gang van Westerse staten. We mogen niet vergeten dat Afrika gedurende de laatste veertig jaar meer dan vijftig Franse militaire interventies bedroeg! Men kan stellen dat er een toestand van quasi chronische militaire mobilisatie aanwezig was van Frankrijk om haar invloedssfeer in Afrika te verzekeren… En er waren, zoals men weet, de grote expedities, de enorme conflicten, de oorlog in Algerije, de oorlog in Vietnam en uiteindelijk de verwoesting van Irak, en vervolgens wat zich afspeelt op dit eigenste moment.

De kwestie is dus niet het einde van de imperiale interventies, zeker niet. De vraag die zich stelt gaat over het verschil in modaliteit van de imperiale interventie. De vraag is nog steeds: wat moeten we doen om onze belangen te beschermen in verre gebieden? Met betrekking tot de interventie in Mali las ik in een bijzonder ernstige krant dat deze interventie een succes was, omdat men erin geslaagd was “de belangen van het Westen te beschermen”. Men beschermt niet eerst en vooral de Malinezen, blijkbaar. Op die manier blijft, zelfs indien de modaliteiten veranderen, de noodzaak tot imperiale interventies drukkend, er staan namelijk kapitalistische belangen op het spel: uranium, petroleum, diamanten, kostbare houtsoorten, schaarse metalen, cacao, koffie, bananen, of steenkool, aluminium en gas. Ik zou nog even kunnen doorgaan met opsommen.

Langzamerhand komt dus het idee naar boven dat men de staat eenvoudigweg kan vernietigen, in plaats van de zware taak op te nemen om staten te willen constitueren onder voogdij van de metropool, of sterker nog, er eigen staatsdelen van te willen maken. En u ziet de coherentie van deze mogelijkheid met de ‘ontstatelijking’ van het gemondialiseerde kapitalisme. Uiteindelijk kunnen we in welbepaalde geografische gebieden met slapende rijkdommen, zuivere anarchistische zones creëren in dewelke geen staat meer aanwezig is en men bijgevolg niet meer moet discussiëren met dit geduchte monster dat een staat steeds is, zelfs indien zwak. Men kan het hoofd bieden aan het permanente risico dat een staat voorkeur geeft aan een andere klant, of andere commerciële ongemakken. In een zone waarin elke echte statelijke macht verdwenen is, zal de hele bedrijfswereld te werk kunnen kunnen gaan zonder al te veel rekenschap te moeten afleggen. In de plaats komt er een soort van halve anarchie, gewapende bendes, gecontroleerd of oncontroleerbaar, maar de zaken kunnen toch worden verdergezet, en zelfs beter dan voorheen. We moeten goed inzien dat in tegenstrijd met wat men zegt en verteld, de bedrijven, hun vertegenwoordigers, kortom de algemene bemiddelaars van het kapitaal, perfect kunnen onderhandelen met gewapende bendes en in zekere zin zelfs gemakkelijker dan met geconstitueerde staten. Het is niet waar dat de statelijke anarchie en de ondenkbare wreedheden die ermee gepaard gaan noodzakelijkerwijs in formele contradictie zijn met de structuur van de wereld zoals die vandaag is. Iedereen kan vaststellen dat men toch al een tijdje praat over het vernietigen van IS, maar dat er in werkelijkheid tot op vandaag nog niets wezenlijks is ondernomen, behalve dan door de Koerden die ter plekke zijn en eigen belangen hebben in de regio. Iedereen zegt: “Drieduizend man naar ginder sturen?! Misschien moeten we beter verdergaan met die kwestie min of meer te beperken en het terug te brengen tot een normaal regime van behandeling van zaken…” IS is tenslotte een commerciële macht, een competent en veelvormig commercieel bedrijf! Het verkoopt olie, het verkoopt kunstwerken, het verkoopt veel katoen, het is een grote producerende macht in katoen. Het verkoopt veel producten aan iedereen. Om iets te verkopen moet men immers met twee zijn. Het is niet IS die zijn katoen koopt.

Om deze nieuwe imperiale praktijken te omschrijven, met name het vernietigen van de staten in plaats van ze te verderven of te vervangen, stel ik het woord “zonering” voor. In plaats van het imperialisme dat pseudo‐landen fabriceerde, weliswaar willekeurig in stukken gesneden, doch beschikkend over het statuut van land onder voogdij van de metropool, kan men echter infra‐statelijke zones substitueren, in Afrika, het Midden‐Oosten, of bepaalde gebieden in Azië, die in realiteit geprivatiseerde plunderingszones zijn. In deze zones zal men zo nu en dan ongetwijfeld militair moeten ingrijpen, maar zonder echt het integrale en zware beheer van de koloniale staten op zich te moeten nemen, zonder zelfs ter plaatse de kliek lokale medeplichtigen te moeten onderhouden, door middel van corruptie. De medeplichtigen die profiteren van de functies die hen zijn toegestaan om zich toe te leggen op de plundering van de rijkdommen.

Laten we alles nog eens samenvatten. We beschikken over een hedendaagse wereldlijke structuur die gedomineerd wordt door de triomf van het gemondialiseerd kapitalisme. We zitten met een strategische verzwakking van de staten of zelfs een lopend proces van kapitalistische vernietiging van de staten. En ten derde zitten we met nieuwe imperiale praktijken die de verbrokkeling, of zelfs vernietiging, van de staten tolereren en zelfs in sommige gevallen aansporen.

Men mag deze hypothese niet negeren wanneer men zich bijvoorbeeld afvraagt wat het ware belang is van de expeditie naar Libië. Men heeft een staat volledig vernietigd, men heeft een zone van anarchie gecreëerd die door iedereen beklaagd of schijnbaar beklaagd wordt, maar de Amerikanen hebben tenslotte hetzelfde gedaan in Irak, en de Fransen wederom in Mali en Centraal‐Afrika. Het lijkt me zelfs dat de volledige vernietiging van Joegoslavië, waarvoor zware westerse interventies nodig waren, en die dit land in tientallen zieke en corrupte stukken heeft doen uiteenvallen, reeds het signaal aangaf van de zoneringspraktijken. In aanzienlijke zones is de praktijk het vernietigen van de staten geweest, om praktisch gezien bijna niets in de plaats te zetten, namelijk enkel fragiele akkoorden tussen minderheden, religies, en diverse gewapende bendes. Men heeft de soennieten door de sjiieten vervangen, of het omgekeerde trachten te bereiken, maar dit zijn in de strikte zin van het woord niet‐statelijke operaties. Dat is klaar en duidelijk. Deze operaties hebben desastreuze gevolgen voor de betrokken bevolkingen die we nu moeten onderzoeken.

2. Effecten op de bevolkingsgroepen

Het eerste treffende effect van al wat ik net naar voren heb gebracht is dat de ongelijkheidsontwikkeling ongezien is. Zelfs het parlementaire rechts is er soms bezorgd over. De ongelijkheid is zodanig afgrijselijk dat, rekening houdend met de afzwakking van de Staten, men niet meer weet hoe men de effecten ervan op het leven van de bevolking onder controle kan houden. Er zijn betreffende dit punt fundamentele cijfers, die iedereen zou moeten kennen, die iedereen in zijn broekzak zou moeten hebben, cijfers die ten grondslag liggen aan wat men best de klassenlogica kan noemen, extreem strikt, extreem uitgesproken en zodanig dat ze zelfs de meest formele democratische norm dom of onuitvoerbaar maakt. Vanaf een zeker niveau van ongelijkheid heeft spreken van democratie of van een democratische norm geen enkele zin meer.

Ik breng de cijfers in herinnering:

  • 1% van de wereldbevolking bezit 46% van de beschikbare middelen.
  • 10% van de wereldbevolking bezit 86% van de beschikbare middelen
  • 50% van de wereldbevolking bezit niets

Aldus betekent de objectieve beschrijving van deze zaak, in termen van bevolking, in termen van massa, dat er een planetaire oligarchie is die min of meer 10% van de bevolking representeert. Deze oligarchie bezit, ik herhaal, 86% van de beschikbare middelen. 10% van de bevolking komt nagenoeg overeen met dat wat in het Ancien Regime de adel was. Het is min of meer van dezelfde orde. Onze wereld herstelt en hertekent een oligarchische situatie die ze lang geleden gekend heeft en waar ze lang geleden voorbij aan is gegaan en naar dewelke, onder andere vormen en andere aspecten, ze terugkeert. We hebben dus een oligarchie van 10% en een machteloze massa van nagenoeg de helft van de wereldbevolking. Dat is de massa van de machteloze bevolking. In overgrote meerderheid gaat het hier over de Afrikaanse en Aziatisch massa. Samen gaat het over ongeveer 60% van de wereldbevolking. Er is dus nog 40% over. Deze 40% is de middenklasse. De middenklasse die moeizaam 14% van de beschikbare middelen onder zichzelf verdeelt.

Het is een veelzeggende gestructureerde visie: een machteloze massa die de helft van de wereldbevolking uitmaakt, een adelachtige oligarchie (uitgaande van hun aantal) en vervolgens de middenklasse, pijler van de democratie, die 40% van de bevolking voorstellend 14% van de mondiale middelen verdeelt.Deze middenklasse is hoofdzakelijk geconcentreerd in de zogenaamd ontwikkelde landen. Het is dus grotendeels een Westerse klasse. Zij is de ondersteuning van de lokale democratische macht, van de geparlementariseerde macht. Ik denk dat gesteld kan worden, zonder het bestaan ervan te willen beledigen ‐‐ aangezien wij er hier allemaal min of meer aan deelnemen, niet waar? – dat het een zeer belangrijk doel van deze groep is, die in elk geval slechts toegang heeft tot een zwak deel van de middelen in de wereld, een kleine 14%, om niet te worden aangeduid, geïdentificeerd als de immense massa machtelozen. Wat te begrijpen is.

Het is daarom dat deze klasse, geheelgenomen, vatbaar is voor racisme, xenofobie en het misprijzen van de machtelozen. Het is hierin dat de dreigende subjectieve determineringen van deze middenklasse te vinden zijn. Determineringen die het Westen definiëren als de representatie die het van zichzelf heeft en die een gevoel van superioriteit voeden. Het is goed geweten dat de Westerse middenklasse de vector is van de overtuiging dat het Westen, uiteindelijk, de plek van de beschaafden is. Wanneer men vandaag overal leest dat men oorlog moet voeren tegen de barbaren is het vanzelfsprekend dat men in de naam van de beschaafden spreekt aangezien die barbaren net komen uit de enorme overgebleven massa met wie de middenklasse tot geen enkele prijs geïdentificeerd wil worden.

Dit alles brengt de zeer singuliere positie van, voornamelijk de Europese, middenklasse aan het licht. Ze is een gevoelige plaat van het verschil – voortdurend bedreigd door het kapitalistisch reële – tussen zichzelf, de middenklasse en de enorme massa. Die zich beetje veraf, een beetje verwijderd bevindt maar die ook in ons land gerepresenteerd is: zij die niet veel of niets hebben. En het is van deze middenklasse die zich door onzekerheid bedreigd voelt dat het discours van de verdediging van waarden komt: “Verdedig onze waarden!” In feite slaat ‘onze waarden verdedigen’ op ‘het verdedigen van de Westerse levenswijze van de middenklasse’. Het is te zeggen, het beschaafde verdelen van de 14% van de middelen in de wereld onder de 40% “gemiddelde” mensen. Van deze levenswijze zegt Pascal Bruckner met de kin omhoog (zoals die van Hollande als oorlogsbaas) dat het niet onderhandelbaar is. “Le mode de vie occidental n’est pas négociable.” Dusdanig is de uitspraak van Pascal Bruckner: Oorlog! Oorlog! Dat is zijn eed, zijn catechismus.

Dat is één van de redenen waarvoor de massamoord waarover we deze avond spreken betekenisvol en traumatiserend is. Het raakt in feite dit Europa, dat op een bepaalde manier de achilleshiel is van het gemondialiseerde kapitalisme, in het hart van haar gemiddelde massa, de middenklasse, die zichzelf representeert als een eiland van beschaving in het centrum van een wereld – of het nu gaat over een oligarchie zo klein dat men ze bijna niet ziet of over de immense massa machtelozen – die het omringt, omkadert en die nauw bij deze middenklasse aansluit. Het is daarom dat de duistere gebeurtenis beleefd wordt als een crisis van de beschaving, het is te zeggen als een aanslag tegen iets dat reeds, in zijn historische en natuurlijke bestaan, bedreigd wordt door de ontwikkelingen in het kielzog van het gemondialiseerde kapitalisme, en waaraan men zich ondertussen vastklampt.

Dit is het eerste effect van de structuur van het gemondialiseerde kapitalisme op de bevolkingen. Maar er is nog iets dat zeer belangrijk is om te begrijpen wat er gebeurt. In de wereld vandaag zijn er iets meer dan twee miljard mensen waarvan men kan zeggen dat ze voor niets aanzien worden. Het is zelfs niet zo dat ze deel uitmaken, zoals evident is, van de massa van de 50% machtelozen. Het is nog erger: Ze worden voor niets aanzien door het kapitaal, wat wil zeggen dat ze in de blik van de structurele ontwikkeling van de wereld niets zijn, en dat ze, in alle precisie, niet zouden moeten bestaan. Ze zouden er niet moeten zijn. Dat zou beter zijn. Maar ze zijn er toch.

Wat betekent dit, dat ze voor “niets” aanzien worden, dat ze niet meetellen? Het wil zeggen dat ze noch consumenten, noch werkkrachten zijn. Want er zijn slechts twee manieren van bestaan voor het kapitaal als u niet tot de oligarchie behoort. U moet een loontrekkende zijn aan één kant, en zo een beetje geld verdienen, en vervolgens moet u dit geld besteden voor het consumeren van producten die gefabriceerd zijn door datzelfde kapitaal. Uw identiteit in de ogen van de dominante beweging in de wereld van vandaag is de dubbele identiteit, gestructureerd door het geld, volgens loontrekkende en consument. Dus er zijn twee miljard volwassenen die geen enkele toegang vinden. Noch tot het ene noch tot het andere. Ze hebben geen toegang tot werk, ze zijn geen scholieren of gepensioneerden en bijgevolg hebben ze ook geen toegang tot de markt. Vanuit het blikpunt van de algemene logica van de wereld, van de heerszuchtige en zelfgenoegzame kapitalistische mondialisering, zijn ze alsof ze niet bestonden. Daarbij beginnen we een propaganda te horen over het extreem gevaarlijke karakter van een invasie van ons dierbaar beschaafd Europa door deze mensen die niet bestaan en niet zouden moeten bestaan. Alles wat draait rond de kwestie van de migratiestromen, rond de kwestie van het Afrikaanse geboortecijfer, betreft rechtstreeks deze beangstigende vraag: “Mijn God! Zullen er grote aantallen van deze mensen naar ons komen door een stijging van hun aantal, terwijl ze waarschijnlijk reeds met meer dan twee miljard zijn?”. Het is maar één stap van de overtuiging dat ze niet zouden mogen bestaan naar praktijken die neigen naar hun niet‐bestaan.

Maar waar komt deze massa mensen van wie het bestaan voor de hedendaagse wereld niet telt vandaan? Om dit punt te begrijpen, volstaat het een beetje, een klein beetje, marxist te zijn. Het kapitaal, en dus haar bezitters, valoriseert slechts de werkkracht – wat wil zeggen: stellen slechts mensen tewerk in de bedrijven die ze leiden – omwille van het feit dat ze er profijt uit kunnen halen. Het is dat wat Marx, in zijn jargon, de extractie van een meerwaarde noemt.

Hij is dus nooit zeker dat het kapitaal al de beschikbare werkkracht kan benutten. Er zijn reeds andere periodes van massale werkloosheid geweest, met name in de jaren dertig, na de grote crisis van 1929. Maar vandaag lijkt het dat deze impasse van werk na de crisis van 2008 meer structureel, dan niet definitief is. De gecreëerde mondialisering zou een intrinsieke onmogelijkheid kunnen zijn voor het kapitalisme dat tot zijn maximale uitbreiding is gekomen om de beschikbare werkkracht te benutten, onder de vorm van de winst die men eruit haalt. En misschien zal het nog erger worden. Misschien dat het systeem van winsten, die de enige bron van kapitaalsdynamiek vormen, op een barrière stoot gecreëerd door haar eigen uitbreiding, terwijl het de plicht zou hebben om alle beschikbare arbeidskracht te benutten door de gemiddelde werkduur te verlagen om op die manier de twee miljard mensen die vast zijn blijven zitten tewerk te stellen.

Welnu, het kan dat niet. Waarom kan het dat niet? Omdat het de duur van het werk niet kan verkorten. En waarom kan het de duur van het werk niet verkorten? Wel, eenvoudigweg omwille van de mechanismes van de productie van winst: men weet dat een belangrijk aantal van de werkuren bestemd is voor de meerwaarde, en dat men onder dit aantal geen winst maakt. We kunnen stellen dat de gemiddelde duur van het werk voor een redelijke kapitalistische valorisatie van de werkkracht zich waarschijnlijk moet blijven situeren om en rond veertig uur. Tegelijkertijd zijn er twee miljard mensen, en waarschijnlijk iets meer, die geen werk hebben.

We kunnen dus rekenen in de omgekeerde richting. Men zou kunnen zeggen: rekening houdend met de situatie, zou een redelijke mondiale regering die zich bekommert om het publieke welzijn, kunnen overwegen dat men moet beslissen ‐ zoals Marx zich inbeeldde dat dit zou gebeuren – dat de gemiddelde werkduur op wereldschaal moet worden teruggebracht tot twintig uur. Misschien zelfs minder. Het spreekt voor zich dat we op die manier een snelle terugdringing zullen zien van deze enorme massa mensen die geen toegang heeft tot werk. De vermindering van de werkduur was een centraal punt in de reformistisch‐revolutionaire voorstellen van Marx, omdat hij goed zag dat, om de arbeid los te rukken van de heerschappij van het kapitaal, de actie van de arbeidersmassa druk moest zetten op de vermindering van de werkduur tot op het punt dat het kapitaal het niet meer tolereerde. Maar voor het moment heeft het kapitaal gewonnen. En omdat het gewonnen heeft, tolereert het niet enkel de vermindering van de werkduur niet meer (zelfs niet de karige vijfendertig uur van Martine Aubry). En over zij die dit kader niet meer kunnen binnentreden verkondigt het onverschrokken dat ze totaal niets zijn. Om die reden is er in onze wereld een enorme massa mensen die voor niets aanzien worden. Het is een absoluut noodzakelijk punt om in rekening te brengen als men wilt begrijpen wat er gebeurt.

Merken we ook op dat de geografie van dit alles, de indeling in de ruimte van deze beschikbare krachten die beschouwd worden als niets, duidelijk verbonden is met de indeling in zones. In de zones waar de situatie anarchistisch is, waar de staat afwezig is, waar gewapende bendes rondtrekken, legt men zich zonder de minste moeite neer bij dat wat de bevolkingen daar zijn, in de strikte zin, zonder enig aangesteld verweer, dat ze wegrotten in “humanitaire” kampen. Waarom zich overdreven bezorgd maken over hun bestaan, aangezien ze noch consumenten, noch werkkrachten zijn? Ze hebben slechts te dwalen tussen gewapende bendes en kapitalistische roofdieren van diverse pluimage, en te leven zoals ze kunnen.

Dat verklaart dat gehele zones overgeleverd zijn aan een politiek gangsterisme van het fascistische type, dat wat niet het geval zou zijn, dat wat niet het geval zou mogen zijn, als er geen miljarden mensen waren die als niets worden beschouwd. Als in het kader van een rationele duur van de werktijd, iedereen geïntegreerd zou zijn in de cijfers van de alledaagse samenleving, van de gemeenschappelijke samenleving, dan zouden deze situaties van banditisme en mensenhandel onmogelijk zijn. Maar de combinatie van de indeling in zones, meer bepaald de vernietiging van de Staten door de westerse roofdieren enerzijds en van het fenomeen van het bestaan van miljoenen of miljarden mensen die als niets beschouwd worden anderzijds, leidt in omvangrijke plekken, soms in immense landen zoals Congo, tot het bestaan van wat men de dominantie van het gangstertype kan noemen. Waarover gaat het? Soorten wilde bewapende kapitalistische bedrijven bezetten vrije gebieden. Daar waar de Staat verdwenen is, ronselen ze hen die in de kou zijn laten staan, met name kinderen en adolescenten en leggen zich toe tot een plundering die aansluit bij de mondiale markt. Zoals wanneer IS aan Turkije rijen met benzine geladen vrachtwagens verkoopt. Het is in deze context dat fascistische gewapende bendes met religieuze kleur verschijnen.

Ah! Religie! De islam! Eindelijk komt u ertoe, zullen onze grote islamofobe denkers zeggen. Ja, ja ik kom ertoe. Maar ik zeg u onmiddellijk, religie heeft altijd een excuus kunnen zijn, een retorische dekmantel, manipuleerbaar en gemanipuleerd door fascistische bendes. Het christendom heeft niet ondergedaan. Neem simpelweg het Spaanse fascisme van Franco, extreem gesteund door massamoorden tot lang na de burgeroorlog. Dat fascisme was letterlijk op de katholieke religie geplakt. De gewapende bendes van Franco werden gezegend door bisschoppen en men praatte over het grote katholieke Spanje dat men in de plaats ging stellen van het vreselijke republikeinse Spanje. Terwijl het in feite slechts rond de macht van de Staat en haar plundering door de fascisten draaide. Het is dus gewoonweg niet heel serieus om de schuld in de schoenen van de Islam te schuiven. Bovenal is het de aard van de gewapende bendes om een terrein van het kapitalistische type te bezetten dat met de grond is gelijk gemaakt om er een rendabel gangsterisme te installeren, die vervolgens de meest gevarieerde spirituele kleuren kan aannemen om de jonge mensen in opstand te plezieren. De religies, zoals heel wat andere ideologieën, helaas de revolutionairen inbegrepen, hebben zich altijd kunnen combineren met maffieuze praktijken. De Italiaanse maffia zelf, deze van de godfathers, toonde en toont nog steeds een hooghartig katholicisme.

Maar dat alles hoort bij het subjectieve aspect van onze situatie.

3. De reagerende subjectiviteiten

Ik zou willen komen tot de typische subjectiviteiten die in de huidige stad van zaken verschijnen. Met “typische subjectiviteit” bedoel ik de psychische vormen, de vormen van overtuigingen en affect die de producties zijn van de wereld waarover ik praat. Dit is geen overzicht van alle mogelijke subjectiviteiten. Wel een overzicht van de subjectiviteiten die ik beschouw als geïnduceerd of geproduceerd door de structuur van de hedendaagse wereld.

Ik denk dat er drie verschillende zijn: de westerse subjectiviteit, de subjectiviteit van het Westers verlangen ‐ wat niet hetzelfde is, en de subjectiviteit die ik “nihilistisch” zal noemen. Ik denk dat deze drie subjectiviteiten de typische creaties zijn van de hedendaagse staat van de wereld.

De westerse subjectiviteit is de subjectiviteit van diegenen die de 14% onder elkaar verdelen die door de dominante oligarchie gelaten is voor wat het is. Het is de subjectiviteit van de middenklasse en ze is bovendien grotendeels geconcentreerd in de meest ontwikkelde landen. Daar kunnen de kruimels verdeeld worden. Naar mijn mening werkt deze subjectiviteit volgens een contradictie, wat we kunnen zien in zijn functioneren. Een eerste element daarvan is de zeer grote tevredenheid van zichzelf. De Westerlingen zijn zeer tevreden over zichzelf. Ze waarderen zichzelf ten harte. Hier zit uiteraard een historische arrogantie achter, nog niet zo lang geleden waren de Westerlingen namelijk de bezitters van de wereld. In het begin hadden we bijna de gehele cartografie van de buiten‐Europese wereld veroverd door puur geweld door de Fransen en de Engelsen, enkel om bezittingen op te stapelen. Wat er nog rest van de immense rechtstreekse imperiale macht, is een representatie van zichzelf als zijnde de representatie van de moderne wereld en de uitvinder en verdediger van de moderne levensstijl.

Maar dat is slechts één aspect van de zaak. Het andere aspect is een constante angst. De constante angst van wat? Gebruik makend van een enigszins brutaal materialisme, zou ik zeggen dat dit de angst is om zichzelf te zien balanceren tussen de 14% die we delen naar de kant van de 50% die niets hebben. In de wereld zoals hij nu is, zijn de leden van de middenklasse wat we de kleine geprivilegieerden kunnen noemen. De constante angst van een kleine geprivilegieerde is het verlies van zijn privilege. Het kan inderdaad zijn dat men in de spanningsvelden van het hedendaagse kapitalisme niet meer zoals voordien de middenklasse in stand zal kunnen houden. Dat is niet onmogelijk, gezien de groter wordende roofzucht van de oligarchie en de groeiende kost van de conflicten die ze moet aangaan om haar winstgebied te beschermen. Hierdoor zou het kunnen dat men in plaats van de huidige 14%, slechts 12% van de beschikbare middelen aan de middenklasse kan overlaten. Zo dreigt het spook welke we “de verpaupering van de middenklasse” hebben genoemd.

Dit is waarom we met deze typisch westerse dialectische verhouding zitten tussen een extreem arrogante tevredenheid over zichzelf en een constante angst. Een dialectische verhouding waaruit de volgende definitie van ‘de kunst van het hedendaags democratisch regeren’ voortkomt: de kunst om de angst die de middenklasse begeesterd, op die manier te dirigeren dat deze middenklasse niet tegen hun, de overheden, maar ideologisch en electoraal tegen een of andere representant van de machteloze massa keert. Het is een grootse operatie: de middenklasse doen begrijpen dat er wel degelijk risico’s zijn, dat hun angst legitiem is, maar niets te maken heeft met de bedachtzame maatregelen van de regering en het beheer van democratische aangelegenheden. Wél dat de enige oorzaak van deze angst de ondraaglijke druk is die onophoudelijk op de middenklasse wordt uitgeoefend door de enorme massa machtelozen en in het bijzonder door de interne representanten van deze massa in onze samenleving: de werknemers van buitenlandse afkomst, hun kinderen, de vluchtelingen, de bewoners van sombere steden, overtuigde moslims. Aldus de zondebok die door onze meesters en hun pennenlikkers aan de angst van de middenklasse wordt voorgeschoteld, wat de organisatie van een soort sluipende burgeroorlog is waarvan we steeds meer de duistere gevolgen zien. Dat zijn de onzekerheden van hen die in zekere zin het politiek lichaam van het Westen vertegenwoordigen.

Laten we nu de hen bekijken die noch oligarchie, noch middenklasse zijn. Zij die noch consumenten noch loontrekkenden zijn en hierdoor buiten de mondiale markt gesitueerd worden. Men moet begrijpen dat ze voortdurend geconfronteerd worden met het spektakel van de welstand en de arrogantie van de twee eerste groepen. De massamedia voorziet het. De massamedia vergezelt overal de mondiale expansie van het kapitalisme en organiseert het permanente spektakel van deze expansie. We hebben hier te maken met twee fenomenen die absoluut verbonden zijn. Bovendien zijn de planetaire media geconcentreerd in gigantische multinationale bedrijven als Apple, Google, etc.

Het gevolg van dit spectaculaire verbond is niet enkel dat er niet over de westerse dominante levensstijl te discussiëren valt, zoals de dappere Bruckner het zegt, maar eveneens dat ze zich als dusdanig aan iedereen voordoet. En dus zitten de machtelozen, waar ze ook zijn, opgescheept met het voortdurende spektakel van de welstand en de arrogantie van anderen. En dat in de, hopelijk voorlopige, afwezigheid van een ideologische uitweg en een samenhorigheidspolitiek die gericht is op verzet en vervolgens het doen verdwijnen van de kapitalistische hegemonie. De machtelozen zien dus wel degelijk dat er ergens een kern van welstand, arrogantie en pretentie van beschaafdheid en moderniteit is, waartegen zij geen enkel middel hebben om zich reëel te verzetten door het denken of de actie, ze delen enkel de realiteit ervan. Het resultaat is een bittere frustratie, een klassieke mengeling van begeerte en verzet.

Vandaar de andere twee typische subjectiviteiten. De eerste is dat wat ik het Westers verlangen zal noemen: het verlangen om te bezitten, om te verdelen, dat wat wordt gerepresenteerd en overal wordt opgehemeld als de Westerse welstand. Het gaat er dus om het gedrag en de consumptie van de middenklasse proberen over te nemen zonder er de middelen voor te hebben. Dat geeft klaarblijkelijk fenomenen zoals de migratiestroom, want de eenvoudige vorm van het Westers verlangen is simpelweg het verlangen om de verwoeste zones te verlaten en zich te voegen bij die fameuze Westerse wereld, want het is er zo goed, want iedereen is er tevreden en baadt in de prachtige moderne welstand. En als we er niet naartoe kunnen gaan, kunnen we ons overgeven aan lokale aliënaties, meer bepaald tendensen om met miserabele middelen de westerse gedaantes en levensstijlen te kopiëren. Men zou zeer lang kunnen spreken over dit thema van het Westers verlangen, wat vandaag de dag iets fundamenteel is en zeer omvangrijke vernietigende gevolgen heeft.

De laatste subjectiviteit, de nihilist, is een verlangen naar wraak en destructie die uiteraard gekoppeld is met het verlangen naar vertrek en gealiëneerde imitatie. Dit gewelddadige verlangen naar wraak en destructie is zo natuurlijk dat het vaak wordt uitgedrukt, geformaliseerd, in reactieve mythologieën en traditionalismes die men verheerlijkt en die men zegt te verdedigen, inclusief de wapens aan de hand, tegen de Westerse levenswijze, tegen het Westers verlangen.

Het gaat hier over het nihilisme van hij wiens leven niet meetelt. Dat nihilisme constitueert zich klaarblijkelijk tegen het Westers verlangen, maar dat is enkel omdat het Westers verlangen diens eigen spook is. Als de nihilist de doodsdrift niet zou activeren, als hij zijn eventueel dodelijke agressiviteit geen vrij spel zou geven, weet hij zeer goed dat ook hij zou bezwijken aan het Westers verlangen dat reeds in hem aanwezig is. Men moet goed zien dat deze twee typische subjectiviteiten – de subjectiviteit van het Westers verlangen en de nihilistische subjectiviteit van wraak en destructie – samen een koppel vormen dat draait rond de fascinatie, positief en negatief, uitgeoefend door de Westerse dominantie.

En dit alles in een context waarbinnen niets wordt voorgesteld dat een collectieve beëindiging kan zijn dat een ander perspectief op de wereldstructuur bevestigt en organiseert. Deze drie typische subjectiviteiten zijn dan ook in realiteit geheel intern aan de structuur van de wereld zoals ik ze beschreven heb. En het is vanuit die intimiteit dat ik ga karakteriseren wat ik het hedendaags fascisme noem.

4. Het hedendaagse fascisme

Men kan in het algemeen spreken van “fascisme” bij het aanschouwen van de populaire subjectiviteit die door het kapitalisme gegenereerd en opgewekt wordt, zij het door een ernstige systemische crisis‐‐wat het geval was tijdens de crisis van de jaren dertig‐‐ zij het misschien, op een dieper niveau, onder invloed van de structurele limieten van het kapitalisme die blootgelegd worden door haar mondialisering. Laat ons niet vergeten dat deze mondialisering zelf een uitbreiding en een onthulling is van haar eigen onkunde om het geheel van de beschikbare arbeidskracht te valoriseren.

Het fascisme is een reactieve subjectiviteit. Ze is intra‐kapitalistisch, aangezien ze geen andere wereldstructuur voorstelt en zich inschrijft in de mondiale markt, in die zin dat ze het kapitalisme verwijt niet in staat te zijn haar beloften waar te maken. Wanneer fascisme optreedt, wordt de teleurstelling van het Westers verlangen de vijand van die westerling, omdat zijn verlangen in wezen niet bevredigd is. Dit fascisme organiseert een agressieve drift van nihilistische en vernietigende aard omdat ze zich constitueert vanuit een intieme en negatieve onderdrukking van het Westers verlangen. Het verdrongen Westers verlangen wordt op die manier de broedplaats van een nihilistische en destructieve reactie, waarvan het doelwit precies het mogelijke object van dat verlangen is. We bevinden ons hier in een klassiek psycho‐analytisch schema.

Qua vorm kunnen we het moderne fascisme definiëren als een doodsdrift gearticuleerd in een identiteitstaal. Religie is ongetwijfeld een mogelijk ingrediënt van deze articulatie: het katholicisme is het geweest voor het Spaanse fascisme tijdens de burgeroorlog, de Islam is het vandaag in het Midden‐Oosten, meer bepaald daar waar de imperialistische zonering de staat heeft vernietigd. Religie, een vorm van subjectivering, is echter in geen geval de kern van de zaak, noch is religie de werkelijke inhoud van de materie waarover we hier spreken. De reële inhoud is een afgeleide van de alomtegenwoordigheid van het Westers verlangen, in haar bevestigde en expliciete vorm of in haar verdrongen en doodgezwegen vorm.

De praktische vorm van deze fascismen is steeds de logica van bendevorming, het criminele ‘gangsterisme’, met de overwinning en verdediging van gebieden waar men een zakenmonopolie heeft, zoals de dealer op de hoek van de straat. Om dit vast te houden heeft men een spectaculair karakter van wreedheid nodig, van plunder, als eveneens de permanente recyclage van zaken in de mondiale markt, dat is toch zo bij verschillende maffias. Net zoals het nihilistische verlangen slechts het omgekeerde van het Westers verlangen is, zo zijn de zones waar de staat vernietigd is en waar de nihilistische subjectiviteit welig tiert, gearticuleerd in de mondiale markt en dus ook in de werkelijkheid van de westerling. Ik herhaal dat IS een commercieel bedrijf is dat onder meer benzine, kunstwerken, katoen en wapens verkoopt. En haar huurlingen zijn in feite loontrekkenden,, met enkele aanvullende privileges die voortkomen uit plunderingen en slavernij (van mannelijke en vrouwelijke gevangenen).

Deze fascistoïde vorm is dus in feite intern aan de structuur van het gemondialiseerde kapitalisme waarvan ze tot op zekere hoogte een subjectieve perversie is. Iedereen weet overigens dat bedrijven, maar ook gekende westerse klanten zoals de Saoudi‐Arabische overheid, niet stoppen met onderhandelen met fascistische bendes die geïnstalleerd zijn in de zonering van het Midden Oosten, en dat ze onderhandelen in het voordeel van hun eigen belangen. Laten we zeggen dat dit fascisme uiteindelijk de keerzijde is van een gefrustreerd Westers verlangen, welke min of meer militair georganiseerd is naar het flexibele model van de maffia en met variabele ideologische kleuren waarbinnen de religie een puur formele plaats inneemt.

Wat mij hier in het bijzonder interesseert is wat die fascistoïde subjectiviteit nu aan de jongeren voordraagt. Tenslotte zijn de moordenaars van januari net zoals die van november, jongeren, het zijn jongeren van hier. Het zijn jonge mannen tussen 20 en 30 jaar, waarvan de meesten met een oorsprong in de arbeidsmigratie van de tweede en de derde generatie. Deze jongeren beschouwen zichzelf als personen zonder toekomstperspectief, ze voelen zich misplaatst en ontheemd. Zelfs diegenen die een beetje onderwijs genoten en hun middelbare school afmaakten, stellen zich de zaken als volgt voor: er is geen plaats voor hen en al zeker niet de plaats die ze zouden willen. Deze jongeren plaatsen zichzelf dus in de marge van zowel de arbeidswereld als de consumptie en de toekomst. Wat de fascisering hen dus belooft (wat men in de propaganda nogal stompzinnig “radicalisering” noemt terwijl het over een pure eenvoudige regressie gaat) is een mengeling van “westerse” tevredenheid en heroïsme via opoffering en criminaliteit. Enerzijds krijgt de jongere de kans iemand te worden, zoals een maffialid, en daar trots op te zijn. Die persoon is in staat tot heldhaftige opoffering en misdaad: westerlingen vermoorden, de moordenaars van andere bendes overwinnen, een spectaculaire wreedheid uitoefenen, territorium veroveren, etc. Anderzijds kan de jongere in kwestie ook van het mooie leven proeven, van diverse genoegens. Er is wat geld, er zijn vrouwen, er zijn auto’s etc. De Islamitsche Staat betaalt al haar handlangers immers zeer goed, veel beter dan datgene wat ze “normaal” zouden kunnen verdienen in het gebied waar ze leven. Het is dus een combinatie van heldhaftige criminele voorstellen en tezelfdertijd de westerse corruptie door producten. En dat, dat is de consistente mengeling die altijd in wezen één van de kenmerken van fascistische bendes is geweest.

Religie kan dit alles perfect met een identitair sausje overgieten, juist omwille van het feit dat het een geschikte anti‐westerse referent vormt. Maar zoals we zien doet de spirituele, religieuze herkomst van deze jongeren er uiteindelijk weinig toe. Datgene wat telt is de keuze die ze gemaakt hebben wat betreft hun frustratie. En ze zullen zich achter een mengeling van vervreemding en heldhaftige opoffering en criminaliteit scharen omwille van hun subjectiviteit en niet wegens hun islamitische overtuiging. Men heeft overigens kunnen observeren dat de islamisering in de meeste gevallen eerder het eindpunt dan het beginpunt vormt. Laten we stellen dat het de fascisering is die islamiseert en niet de Islam die fascineert.

5. Wie zijn de moordenaars

Wie zijn in deze omstandigheden de moordenaars van november en wat valt er te zeggen over hun daden? Laten we stellen dat de moordenaars jonge fascisten zijn in de betekenis die ik net besproken heb. Ik vergelijk hen graag met sommige fascistoïde miliciens (een paramilitaire eenheid die in 1943 door Vichy‐Frankrijk werd opgericht om de Duitsers te helpen in hun strijd tegen het Franse verzet) in Frankrijk tijdens de laatste oorlog. Ook bij deze bendes jonge strijders die collaboreerden met de Duitsers, speelde het “Viva la muerte!”‐aspect mee: ‘we doen maar wat we willen, we hebben wapens, we kunnen mensen naar believen vermoorden en folteren’. Het was een uitgestalde wreedheid. Bovendien genoten deze strijders van een hele resem kleine voordelen en geneugten: het mooie leven, rondjes op café, mooie auto’s, poen, meisjes, … Dezelfde ingrediënten waren dus ook aanwezig. In zekere zin om dezelfde redenen. De miliciens, wat waren dat precies? Het waren Fransen, maar het waren burgeroorlog‐Fransen: ze streden tegen de meest voor de hand liggende nationale belangen want ze collaboreerden met de nazi‐bezetter en vermoordden andere Fransen. Het had een aspect van verdeeldheid. Zoals hun imam, Pétain, beriepen ze zich overvloedig op Frankrijk en de Franse vlag: “La France! La France!”. Dit terwijl ze druk in de weer waren om de meest elementaire nationale belangen ‐ namelijk, niet bezet te worden door een vreemde macht ‐ tegen te werken en wel vaak op weerzinwekkende wijze. Dit is wat ik de interne verdeeldheid van deze fascistische subjectiviteit noem. De moordenaars van vandaag zijn, in zekere zin, typische producten van het gefrustreerde Westers verlangen: mensen die bewoond worden door een onderdrukt verlangen, die geconstitueerd zijn door dit verlangen. Ze beelden zich in dat ze bewogen worden door een anti‐westerse drang, maar ze zijn slechts een van de symptomen van de blinde leegte van het gemondialiseerde kapitalisme: ze zijn een uitdrukking van het onvermogen, de onmogelijkheid van het kapitalisme om iedereen mee te laten tellen in de wereld waaraan het vorm gegeven heeft.

Hun daad ‐ een blinde massamoord ‐ is geen aanslag. Een aanslag is datgene wat georganiseerd werd door verzetslieden tegen de nazi‐bezetters en hun pétainistische medeplichtigen, of nog beter, datgene wat de weergaloze Russische populisten op poten zetten om de tsaar te doden. In feite ‐ indien we de moordpartij van vrijdag 13 november in haar ontwikkeling beschouwen ‐ was er geen sprake van een georganiseerde, noch militaire zaak: het was een bloederige bedoening, jazeker, maar klungelig. Het gebeuren mocht klungelig zijn, omdat de jonge fascisten besloten hadden dat hun leven niet telde. Dit is de ultieme drijfveer voor dit soort misdaden: hun bloedeigen leven telt niet. En omdat hun eigen leven niet telt, is het leven van anderen ook niets waard. Het is daadwerkelijk het nihilisme dat aan de basis ligt van dit alles. Uiteindelijk drijft het hen tot het verbranden van hun levens in een even belachelijk en artificieel als crimineel “heroïsme”. Ik denk dat we dit een “massamoord” moeten noemen, een afgrijselijke massamoord waar de moordenaar zichzelf op niet minder vreselijke wijze aan toevoegt. Hier hebben we te maken met een criminele suïcidale figuur die in zijn hoogste graad een doodsdrift bevat. Niets blijft er over: geen slachtoffers, geen moordenaars.

Ontegensprekelijk is het een verschrikkelijke fascistische en criminele daad. Is het echter wel adequaat om te spreken van “barbaren”, zoals de officiële benaming is geworden? Deze term, “barbaars”, is sinds mensenheugenis de tegenhanger van “beschaafd”. De “oorlog tegen de barbaren” is steeds een oorlog van de beschaafden tegen de barbaren. Maar er is geen enkele reden om in het aanzien van een vreselijke misdaad toe te geven aan de westerse arrogantie die zich opwerpt als de vertegenwoordiger van de beschaving. Dit is immers ook het moment om ons te herinneren aan het feit dat de Westerse bloedbaden vandaag de dag onafgebroken en uitzonderlijk bloederig zijn.

Drie voorbeelden volstaan hier:

  1. De westerlingen hebben heden ten dage de macht, met drones ‐ maar ook met gespecialiseerde eenheden in wat men in Frankrijk “des expéditions homo” noemt, afgeleid van het Franse “homicide” wat moord betekent ‐ om mensen te vermoorden op geheim bevel van de staatshoofden. De moord is eenvoudiger met drones, omdat het zelfs niet nodig is zijn bureau te verlaten. Noch Obama, noch Hollande ontzeggen zichzelf deze middelen, praktisch of minder praktisch. Maar wat drones betreft, zijn er statistieken: voor elke dode waarop echt gericht werd (een bendeleider, pakweg) zijn er gewoonlijk negen collaterale slachtoffers, eender wie, de kinderen van de buurt. Om tien tegenstanders om te brengen moet men 90 personen vermoorden die er niets mee te maken hebben. Dat is de drone. Dus, als u het aantal doelgerichte drone‐aanvallen vermenigvuldigt, zoals de kalme en gedecideerde Obama dat gedurende zijn hele regeerperiode heeft gedaan, komt u al snel aan honderden en honderden personen die voor niets zijn afgeslacht. Dus als we het doelloos vermoorden van mensen als barbaars beschouwen, dan zijn westerlingen dag in dag uit barbaren ‐ dat mag geweten zijn. Eenvoudigweg is er in het eerste geval ‐ de barbarij van de barbaren ‐ sprake van een erkende en suïcidale massamoord. In het geval van de barbarij van de beschaafden gaat het om een technologische, verhulde en zelfgenoegzame massamoord.
  2. Het aandeel westerse doden in openlijke conflicten, Irak of Palestina, is ongeveer één op 20. De westerlingen hebben zelfs beweerd dat ze zich nul doden in hun rangen en alle doden aan de andere kant tot doel stellen ‐ een toch wel zeer bijzondere oorlogspraktijk. Ze zijn hier niet volledig in geslaagd. Maar, naar ruwe schatting ‐ wanneer we het aantal doden tellen in Irakese, Afghaanse, Palestijnse, … conflicten ‐ zitten we ongeveer met één dode aan de ene kant voor 20 aan de andere. Deze ongelofelijke onevenredigheid is vastgesteld door de mensen die dit soort situaties meemaken. Deze mensen zien goed genoeg dat dit de manier is waarop het gebeurt en wat hen betreft is de grootse barbaar de Westerling.
  3. Neem nu, zonder zelfs haar politieke betekenis in acht te nemen, het geval Gaza: 2000 doden langs Palestijnse kant, waaronder ongeveer 450 kinderen. Dat is dan beschaafd? Louter omdat het vliegtuigen zijn die doden, die mensen aan stukken rijten, verbrijzelen en verbranden en geen jonge verdwaasde sukkels die in het wilde weg schieten alvorens zichzelf op te blazen.

De moordenaars zijn jonge fascisten die lijken op de miliciens van Pétain, wiens motieven goor, dodelijk en bovendien zonder echte inhoud zijn. Maar er is geen bijzondere reden om te doen alsof de westerse legers in de ogen van die mensen de beschaving vertegenwoordigen. Dat is onhoudbaar. Oorlog is oorlog, het gaat altijd in mindere of meerdere mate om gore slachtpartijen. Bovendien hebben wij zelf uitvoerig gefolterd, gedood en gedeporteerd gedurende koloniale oorlogen, en daarna. En we zullen het op grote schaal blijven doen, indien — zoals onze overheden het verkondigen — de tijd rijp is voor een finale oorlog tegen het “terrorisme”.

6. De reactie van de staat: “Frankrijk” en “Oorlog”

Naar mijn mening is de fundamentele functie van een staat zoals de Franse de disciplinering van de middenklasse. En die disciplinering is op spectaculaire wijze het werk van links. Links is zeer vaardig wanneer het erop aankomt de middenklasse te disciplineren. Ik herinner jullie eraan dat in mijn jeugd tijdens de Algerijnse oorlog, Links, dat met Guy Moller de regering leidde, “speciale machten” had verkregen ‐ zoals ze vandaag een quasi‐unanimiteit verkrijgt voor de “noodtoestand” ‐ om een totale oorlog te lanceren. Het ziet er naar uit dat om de middenklasse te disciplineren door haar “oorlog, oorlog” toe te roepen, er nood is aan de opgeblazen schreeuwerigheid van een socialistische blaaskaak ‐ de middenklasse heeft immers nauwelijks nog oorlog in de vingers.

De discipline van de middenklasse die onder de oorlogstaal valt is duidelijk ook een fictie. Het is misleidend: niemand in dit land is bereid tot oorlog voeren. Het woord “oorlog” is niet niet op zijn plaats. In januari sprak de overheid in naam van het republikeinse secularisme, deze keer probeert ze gebruik te maken van het oude nationalisme, Frankrijk, de tricolore verbonden met zijn eeuwige drijfveer: “het is oorlog”. Maar vandaag is die verbinding duidelijk ongerijmd. Bovendien zal ze naar mijn mening niet lang werken.

Nu zou ik even willen ingaan op deze twee woorden. Laten we beginnen met Frankrijk. Frankrijk, la France, is vandaag de dag een betekenaar zonder positief te definiëren inhoud. Wat is “Frankrijk” vandaag? Het is een actor uit de tweede zone van de mondiale structuur die ik beschreven heb. Men spreekt aldus over “onze waarden!”, maar wat zijn ze dan, die waarden van Frankrijk? Ik heb daar mijn eigen mening over. Datgene wat Frankrijk onderscheidde ‐ want als er Franse waarden zijn, dan moeten we ons afvragen wat deze onderscheiden van anderen ‐ was de revolutionaire traditie. Eerst republikeins vanaf de Revolutie van 1789. Dan socialistisch, anarcho‐syndicalistisch, communistisch en uiteindelijk links, dit alles tussen 1789 en, laat ons zeggen, 1976.

Maar dit alles is verleden tijd. Het is voorbij. Frankrijk is vandaag niet meer op fatsoenlijke wijze voor te stellen als de bevoorrechte plaats van een revolutionaire traditie. Frankrijk wordt nu veeleer gekenmerkt door een merkwaardige verzameling van identitaire intellectuelen. Frankrijk heeft ook van zich laten horen door een nooit gezien iets: de uitvaardiging van openlijk discriminerende wetten ten aanzien van een deel van de armen die ze zelf gecreëerd heeft. Wetten tegen de Islamitsche hoofddoek, en dergelijke. Dit zijn, het spijt me van dit te zeggen, stigmatiserende en segregerende wetten, gericht tegen wie? Gericht tegen de armen, de arme bevolking die haar eigen religie heeft, zoals de Bretoense arbeiders en bedienden van weleer katholiek waren. Zij worden gedemoniseerd, terwijl het Franse kapitalisme hun armoede heeft geschapen. Waarom? Omdat dit kapitalisme het Franse industriële apparaat heeft vernietigd. Waarom zijn er bij ons zoveel mensen afkomstig uit de de Derde Wereld? Omdat wij ze zijn gaan halen! Herinner u de tijd, van de jaren 50 tot de jaren 80, waarin we met het vliegtuig naar Marokko vlogen om arbeiders naar hier te brengen. Arbeiders die we nodig hadden voor het bandwerk in onze fabrieken. Die mensen lieten hun families komen, er kwam een tweede generatie, er kwamen jongeren van wie het te verwachten lot was dat ze arbeider, gekwalificeerde arbeider of technicus werden. Maar het productieve apparaat werd vernietigd: de fabrieken, dat is praktisch verleden tijd, alles is gaandeweg gedelokaliseerd. Deze jongeren hebben dus geen enkele toekomst. Maar dit alles is gebaseerd op bedrog, een vreselijke oplichterij. Men heeft ze geïmporteerd zonder enige garantie, en nu zou men ze willen exporteren… Maar dit is niet hoe het werkt: het “menselijk materiaal” laat zich niet zo behandelen…

Dus ik denk dat dit ongeveer alles is wat “Frankrijk” vandaag betekent ‐ en dat biedt niet bepaald een betekenisvol, zichtbaar en interessant ankerpunt. Het is overduidelijk wat zij willen die het met identitaire krampachtigheid over Frankrijk hebben. Uiteindelijk willen ze ‐ zoals steeds bij identitaire samentrekkingen ‐ dat we de anderen onderdrukken en vervolgen. Want zo gaat het uiteindelijk steeds met identiteit wanneer ze geen universele betekenis bezit zoals de revolutionaire traditie die had. Een identiteit zonder universele betekenis kan zichzelf slechts definiëren door de vervolging van datgene wat ze niet is. Er zijn geen andere middelen om haar zoiets als een bestaan te verlenen. Wat precies doen zij voor Frankrijk, die mensen die “Frankrijk, Frankrijk” zeggen? Ze mekkeren tegen de Arabieren, meer niet. En ik geloof niet dat ze daar Frankrijk een grote dienst mee bewijzen. Het is niet bepaald iets dat de Fransen eert. Niettemin blijkt dat minder dan 3% van deze dappere “Fransen” bereid is indien nodig te sterven voor het vaderland (een peiling stelde dit vast).

Wat de oorlog betreft, is één ding duidelijk: het zijn niet de “barbaren” die de oorlog hebben verklaard. Wel integendeel, het is de Franse staat die, meeheulend met de bedrijven en af en toe met de Amerikanen, zich is gaan mengen in troebele imperialistische zaakjes; het is de Franse staat die is gaan deelnemen aan zonering, staten is gaan vernietigen en daardoor de situatie heeft doen ontstaan waarvan ik hier het panorama probeer te schetsen. En tot die situatie behoort eveneens het subjectieve ontstaan van jonge fascisten door de verwoesting van het sociale leven en doordat een deel van de wereldbevolking niet meetelt.

7. De voorwaarden voor een terugkeer van een emancipatiepolitiek, los van het hedendaagse wereldschema

Ik kom nu tot wat me tot de conclusie zal leiden: hoe kunnen we proberen om binnen deze voorwaarden een verschillend gedachtegoed te construeren? Hoe kunnen we ons losscheuren van dit alles? Hiermee wil ik zeggen: ons losscheuren van elke oorlogsverklaring, zelfs als deze “oorlog” fictief of vervalst is. We kennen een lange traditie van oorlogsverklaringen, van nationalistische opschepperijen, van absoluut fictieve propaganda. Je moet de literatuur omtrent de “Moffen” in 1945 er maar eens op nalezen. Monsters! Moordenaars! In werkelijkheid moet men zeggen dat de Moffen van 1945 maar weinig verschillend waren van de Fransen.

Dus, hoe moeten we verder? Allereerst denk ik dat de ruimte die wordt gedefinieerd door “Frankrijk” en de schimmige Fransen, mentaal en praktisch moet worden vervangen door een internationale ruimte. Een internationale manier van denken, ik zou zelfs zeggen transnationaal, die op dezelfde hoogte staat als de kapitalistische globalisering. Want het is al een hele tijd geleden dat de kapitalisten hun Franse bestaan hebben verlaten, ze hebben voorsprong. Ze zijn thuis in Sjanghai, ze zijn thuis in San Francisco, in Marokko, in Congo en in Sao Paolo…

Zouden wij dan, wij, de kleine Franse middenklasse, goed genesteld in hun Frankrijk moeten blijven? Dat is een enorme achterstand. Het is nog erger als we niet eens in staat zouden zijn om de mensen die hier zijn te erkennen als bij ons horend onder het belachelijke voorwendsel dat ze moslim zijn, dat ze van oorsprong uit Afrika komen of, nog erger, dat ze zich zus of zo kleden of tooien of hun vlees op een bijzondere manier klaarmaken! We maken het nog erger als wij op onze beurt de mensen die hier wonen maar voor het kapitaal niet mee tellen, zelf als niets beschouwen, lees als vijanden zien. We maken het des te erger als we niet in staat zijn om met deze mensen te praten en te handelen die we meer dan nodig hebben om in deze situatie een opening te creëren, een nieuwe politieke weg om met hen onze bevestigende, creërende weg uit het duistere Westen te ondernemen.

Hoe verschrikkelijk is het om te beseffen dat de revolutionaire nederlaag er voor heeft gezorgd dat we zelfs niet meer in staat zijn om mentaal een gemondialiseerd beeld te hebben van de problemen, terwijl onze rechtstreekse tegenstanders dit sinds lang hebben veroverd. Ze hebben het veroverd ten koste van alle beschermingsmaatregelen van de staat. We moeten op onze beurt dus de kracht hebben om onze interesse deels los te koppelen van de Staat zelf, in elk geval van de Staat zoals ze nu is. Laten we niet meer stemmen! Laten we geen belang hechten aan de leugenachtige en ijdele verkondigingen van onze regeringen! Laten we ons naar ergens anders terugtrekken, naar de plaatsen waar vaak ononderscheiden maar steeds reëel de wil van het volk bevindt. Want de Staat komt ten tonele wanneer “Frankrijk” niet veel meer te betekenen heeft. Dan roept de Staat ons bijeen, zoals ze vandaag doet. Maar wij, wij weten dat op dit moment de Staat in al zijn gedaantes slechts een actor is in de nieuwe gemondialiseerde aaneenschakeling van het kapitaal.

Er zit duidelijk een contradictie tussen de fascistische en criminele lotsbestemming van de frustratie enerzijds en de mondiale ontwikkeling van het kapitalisme en de populaire steun van de middenklasse die het geniet anderzijds. Dit is duidelijk een moorddadige contradictie. Evenwel is het een subjectieve contradictie die intern is aan het kapitalisme zelf. Het is geen contradictie tussen Goed en Kwaad. Het is geen contradictie tussen de waarden van de Beschaving en de Barbaarsheid. Het betreft een soort van interne torsie die ervoor zorgt dat een heel deel van de onmacht van het Westen tegen zichzelf keert. De onmacht, namelijk, om een bewoonbare subjectieve ruimte te creëren voor de jeugd van de hele wereld. Dat praat niets goed, dat praat geen enkele misdaad goed. Het fascisme onder welke gedaante dan ook is afschuwelijk. Maar men moet goed begrijpen dat deze contradictie, de contradictie tussen het dodelijke nihilisme van de fascisten en de vernietigende en holle imperialistische ontwikkeling van het kapitalisme, ons niet kan en mag toelaten er zelf actoren van te worden. We mogen onze meest essentiële overtuigingen niet laten structureren door deze contradictie.

Waar we aan lijden is de afwezigheid op wereldschaal van een politiek die niet in het kapitalisme is geïncorporeerd. Het is de afwezigheid op wereldschaal van deze politiek die ervoor zorgt dat er een fascistische jeugd opdoemt en zich vormt. Het is niet de fascistische jeugd, het banditisme of de religie die de afwezigheid creëert van een emancipatiepolitiek die in staat is haar eigen visie te ontwikkelen en zijn eigen praktijken te definiëren. Het is de afwezigheid van deze politiek die fascisme, banditisme en religieuze hallucinaties mogelijk maken.

Ik denk hierbij aan de tragedie van Phaedra, het theaterstuk van Racine. Op het moment dat ze haar liefde moet opbiechten, die in haar ogen een criminele liefde is, zegt Phaedra: “Mijn pijn komt van verder”. We kunnen eveneens zeggen dat onze pijn van verder komt dan de immigratie, dan de Islam, dan het verwoeste Midden‐Oosten, dan het aan plundering onderworpen Afrika… Onze pijn komt van het historisch falen van het communisme. Ze komt dus inderdaad van ver.

Met “communisme” begrijp ik simpelweg de naam, de historische naam die aan een strategisch gedachtegoed gegeven is geweest die losstaat van de hegemonische kapitalistische structuur. Dit falen is waarschijnlijk bezegeld geweest vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw. Daarom begint de periodisering die we hier voorstellen vanaf de jaren 80, wanneer de schadelijke effecten van dit falen voelbaar werden onder de vorm van een vernieuwde energie van het kapitalisme.

Waar staan we vandaag? Er bestaan wel degelijk lokale ervaringen, er bestaan overtuigingen, ik zeg niet dat er niets is. Er bestaat een hele reeks zaken die moeten worden geïrrigeerd door een nieuw gedachtegoed. We hebben eveneens een zeer duidelijk beeld van beschikbare krachten. Er is een nomadisch proletariaat dat van de meest verwoeste gebieden komt. Dit nomadisch proletariaat is reeds zeer sterk geïnternationaliseerd en is verspreid over de hele wereld. Talloze arbeiders in Korea zijn Nepalees of komen van Bangladesh, evenals een hele massa arbeiders hier van Marokko of Mali is gekomen. Er is dit enorm nomadisch proletariaat die een virtuele avant‐garde vormt van een gigantische massa waarvan het bestaan niet meetelt in de wereld zoals ze is.

Ondanks alles zijn er intellectuelen, mensen van de middenklasse, inclusief de westerse, die open staan voor dit nieuwe gedachtegoed, die dit dragen of proberen te dragen. Het cruciale ligt in het feit dat ze zich moeten binden aan het nomadisch proletariaat, dat ze dit gaan opzoeken, het raadplegen, er mee in gesprek gaan. Nieuw politiek gedachtegoed ontwikkelt zich enkel door onverwachte allianties, door onwaarschijnlijke allianties, in egalitaire trajecten en ontmoetingen. En verder is er een jeugd… Er is een jeugd die zich voor de hiervoor vernoemde redenen afvraagt wat deze wereld hem te bieden heeft wanneer ze aan de rand van deze wereld terechtkomt. Ze heeft misschien geen zin om zich te verankeren in één van de drie figuren die ik typisch heb genoemd. Ze heeft misschien geen zin om het lofzang van het westen in te zetten. Ze heeft misschien geen zin om bezield te worden door een verlangen naar deze glorie, om te trachten er haar lotsbestemming in te schikken. Ze heeft misschien geen zin om zich in een dodelijk nihilisme te bevinden. Zolang haar geen ander strategisch voorstel wordt gedaan, zal ze wezenlijk gedesoriënteerd blijven. Het kapitalisme is een machinerie om subjecten te desoriënteren die zich niet zomaar schikken in het nietszeggende koppel consument/loontrekkende.

En als dit voorstel er is, als de irrigatie door een nieuw gedachtegoed er is, zal deze een einde maken aan het hedendaags fascisme. Dit voorstel gaat niet om de smerige oorlogen van de staat ‐ die niets goeds inhouden. Dit zal de capaciteit zijn om de sluipende fascisering te tegen te gaan, omdat iets anders wordt voorgesteld. We zullen een vierde typische subjectieve figuur creëren die de gemondialiseerde kapitalistische overheersing achter zich wil laten zonder zich ooit te nestelen in het nihilisme, de dodelijke avatar van het verlangen naar het Westen. Dat is essentieel. Daarvoor moeten we individuele allianties creëren, we moeten op een andere schaal denken. Het is noodzakelijk dat de intellectuelen en de verschillende componenten van de jeugd organisch verbonden worden door ervaringen die aanvankelijk lokaal zijn en vervolgens veralgemeend worden ‐ ongeacht de schaal van onze huidige problemen. Hiervoor moeten de intellectuelen en de jongeren aller afkomst een stap zetten in de richting van het nomadische proletariaat.

Dit is een noodgeval, maar wel een strategisch noodgeval, een voorstel dat zich aan iedereen opdringt. Dit is een karwei, een karwei voor iedereen. Het is een denkwerk maar ook een werk om te gaan zien wie deze ander is over wie men praat, wie hij werkelijk is, om zijn gedachtegoed, zijn ideeën en zijn kijk op de zaken te achterhalen en deze in rekening te brengen. Het is een werk om hem en u tegelijkertijd in een strategische visie op het lot van de mensheid in te schrijven. Dit is een werk dat zal proberen de geschiedenis van de mensheid te doen kantelen, van richting te doen veranderen, dat zich losrukt aan de ondoordringbare ellende waar ze op dit moment in wegzakt. Ik ben van een onwrikbaar optimisme, nietwaar, ik denk dus dat dit zal gebeuren.

Maar de tijd dringt. De tijd dringt…

One thought on “Hoe de massamoorden te denken – Alain Badiou

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *