De post-man en zijn restafval

Vaak is uit de oppervlakte van de taal heel wat over de tijdsgeest af te leiden. Het is opvallend hoe we bijvoorbeeld enkel met prefixen het hedendaagse artistieke, intellectuele en politieke veld benoemen (neoliberalisme, postmodernisme, poststructuralisme, etc.). Waar bijvoorbeeld de klassieke traditie in de kunsten werd omvergeworpen door het modernisme (met stromingen als dadaïsme, kubisme, surrealisme, fauvisme, etc.), lijken we geen nieuwe woorden meer te vinden om het modernisme omver te katapulteren (zie laat-, post- of hypermodernisme, etc.). De enige nieuwe term die wordt geïntroduceerd is de restafval-term ‘hedendaagse kunst’, letterlijk kunst die vandaag en dus niet vroeger gemaakt werd.

De vraag ‘Wat is kunst eigenlijk?’ stelt het hedendaags kunstwerk aan mij, eerder dan dat het op deze vraag antwoordt. Dat is in elk geval de ervaring die ik daarbij heb. Toch is dat natuurlijk niets nieuws. Ook in klassieke kunst is die onmogelijke vraag altijd aanwezig, al is het dan vaak verwikkeld in een web van nauwkeurig uitgeplozen symboliek. De kern blijft hoe dan ook een vraagstuk en daarom heeft kunst voor mij altijd al iets extreem gewelddadigs, een obscuur en gemeen kantje. Het heeft geen praktisch nut, daar kunnen we al van uit gaan. Er zit steeds een of andere zinloosheid in, die de kijker op een gênante wijze confronteert met de limieten van zijn verklaringssysteem. Niet alleen de toeschouwer maar ook kunstenaars zelf wachten vaak op een toedekkend antwoord dat van de kunstexpert zou moeten komen. De job van de expert bestaat erin om dat persisterend vraagteken dicht te metsen met een collage van de dominante intellectuele zoetpraterij. Zo plakt de expert er dure termen op die ons beter doen slapen. Daarom hebben ze liefst ook zachte en trage stemmen. Het probleem met kunst verschijnt onder de meest vijandige vorm in het zwarte vierkant van Kazimir Malevich. De toeschouwer wordt recht met zijn neus op het gat in zijn wezen gedrukt, op de in te vullen ruimte die hij of zij anders gewoon als een ongemakkelijkheid aanvoelt – al weet hij/zij niet waar die ongemakkelijkheid dan weer vandaan komt.

Kunst kopen is daarom een van de meest efficiënte manieren om met dat gewelddadige raadsel om te gaan. Zo kan je dure woorden omzetten in dure getallen, dat begrijpt iedereen. Eens je het gekocht hebt, heb je je burgertaak vervuld, het raadsel is immers omgezet in een getal dat alle andere termen overtreft. Eens je je centen hebt omgezet in een werk, word je met rust gelaten. Het is geïsoleerd en onschadelijk gemaakt. Niemand zal zo gemeen zijn de koper aan de tand te voelen. Wel eigent de koper zichzelf het recht toe de vraag om te keren en ze aan zijn vrienden of familieleden te stellen: “Wat vind jij ervan?”. Dat zijn zeer gemene en lastige vragen, dat weet iedereen.

Toch, wanneer ik een maatschappij probeer in te beelden zonder kunst, dan kan ik niet anders dan denken dat het plots overal verschijnt, vooral daar waar het het minst verwacht wordt, als loslopend wild. Kunst verschijnt dan in alles wat aan zuiver praktisch nut voorbijgaat. Misschien is het bestaan van het museum in zijn functie niet zoveel verschillend van de kapitalistische kunstverkoop. Het is de staatsvorm van hetzelfde toedekken. De functie van het museum bestaat er immers in de gewelddadige aantasting van kunst op je realiteitsbesef onschadelijk te maken. Het staat er, gelokaliseerd en officieel ingehuldigd, we hebben de mogelijkheid om ernaar te gaan kijken, maar voor de rest kunnen we ons bezig houden met wat we maar al te graag de realiteit noemen. De uitzondering (het kunstwerk in het museum) maakt de regel (geen kunst erbuiten). Ik vermoed zelfs dat de functie van de stadsdichter erin bestaat de burger vrij te pleiten voor de werkelijke obscene confrontatie met poëzie. Onze lieveheer zal erom oordelen. Er hangt poëzie aan de muren van officiële gebouwen, dus we hebben onze taak vervuld. Als iemand iets achter ons engagement in het kunst-vraagstuk vraagt, dan kunnen we ernaar verwijzen. Het staat er! Niemand is dan nog verantwoordelijk. Wie er wel voor stilstaat is daarentegen een roekeloze en gevaarlijke zot. Kunstonderwijs en heel de bedrijvigheid er rond moeten er dus voor zorgen dat we er niet te veel echt mee worden geconfronteerd. Kleine porties angst zijn meer dan voldoende. Roekeloze confrontatie is te vermijden, dat is te gevaarlijk voor de gang van zaken. Poëzie doet moorden. Als we musea weglaten, dan dreigen we al snel onze minimale grip op de wereld voorgoed te verliezen. Het zou de directe aanleiding zijn voor politieke onrust, economische crisissen, kernoorlogen, of nog erger, revolutie. Enkele vormen van kunst verschijnen nu al overal, zoals de vorm die geen museum heeft: graffiti – misdaad! Het zijn woorden, overal, lukraak, zonder enige betekenis, uitwerpselen van de taal die schaamteloos aan de muren worden gesmeerd. In your face! Restproducten, talige stront, een kind van onze tijd?

Niet zonder slag of stoot proberen een hele resem gender theoretici ook het seksuele restproduct van de menselijke taal te boetseren. Intussen wordt vurig pleidooi gehouden voor de deconstructie van het binaire onderscheid tussen “hij” en “zij”. De vraag is maar hoe ver dat zal kunnen geraken. Niemand wil het genoemd worden, dat lijkt me aannemelijk. In het seminarie … ou pire geeft de psychoanalyticus Jacques Lacan ons de raadselachtige claim mee dat de negatie van man altijd vrouw geeft, maar dat er geen enkele reden is om te zeggen dat de negatie van vrouw altijd man geeft. Hoe moeten we dat begrijpen? Zit er in “vrouw” iets fundamenteel transseksueels? Er is een bepaalde eigenaardigheid aanwezig in het Vlaamse dialect. Het woord “mens” gaat ter goeder gewoonte samen met het geslachtelijke lidwoord “de”, “de mens”, maar wanneer je voor “mens” het onzijdige, geslachtsloze lidwoord “het” gebruikt, “het mens”, dan praat je over een onmens. Die laatste is een pejoratieve benaming, voor het onzijdige geslacht, het uitschot – “wat doet dat mens hier?!” Eigenaardig genoeg bedoelt men met “het mens” nooit een man, noch simpelweg een vrouw, maar steeds een soort “uitschot-manwijfmens” dat niet meer meedoet aan de fallische triomf van het zien en gezien worden. Er is dus reeds daar, binnen de categorie vrouw, een soort surplus-element aanwezig. Aan de mannelijke kant is de onzekerheid inherent en bij elke man terug te vinden. Men zegt nooit “Wees eens een vrouw!”. Men zegt wel “wees eens een man!”. Dat kan maar begrepen worden tegen het licht van de mislukking om zich voor eens en voor altijd binnen die categorie te betekenen. Moest een man met zijn categorie volledig samenvallen, dan zou die uitspraak volstrekt nonsens zijn. Ook dat is een talig feit die het reële verschil aantoont. Het is moeilijk te spreken in termen van andere categorieën dan die van “hij” of “zij”. Zo ver zijn we momenteel nog niet. Zo ver zullen we misschien ook nooit geraken. Dat wil daarentegen nog niet zeggen dat “man” en “vrouw” op zich reëel zijn, deze tweedeling is wel degelijk een constructie. Maar die binaire constructie tracht wel met een reële en irreduceerbare antinomie om te gaan. Er is een categorie, een onmogelijkheid om tot de categorie te behoren en een uitschot/rest die niet ophoudt er niet in te slagen voorgoed voorbij het binaire te gaan. Weeral enorm lastig.

Zouden we kunnen stellen dat de ‘gender + categorieën’ dienen als lokalisering van de restproducten, als gender-musea die ons van de lastige vragen rond het (geseksueerde) mens-zijn vrijstellen? De antinomie is in elk geval niet op te lossen, althans voor zover we nog geen post-mensen zijn, geslachtsloze subjecten die hun bestaan slechts nog in de virtuele realiteit uitoefenen, een post-realiteit, waarin voortplanting met proefbuizen en spuiten bedreven wordt en offline menselijk contact sterk wordt afgeraden. Als het ooit zover komt, zullen we misschien kunnen stellen dat de mens een middel geworden is voor DNA om zich voort te planten – wat een heerlijke nieuwe wereld! Zou dit niet de fundamentele opheffing zijn van de non-rapport sexuel? Een tegenbeweging begint te ontstaan – “er zijn grenzen!” – al is dat niet altijd uit de meest geëmancipeerde overwegingen.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *