“Get real!”

In Žižeks boek The courage of hopelessness geeft hij een beeldspraak mee waar een stuk meer in zit dan hij zelf vermeldt. Hij schrijft dat het zogenaamde licht aan het einde van de tunnel een fetisj is die ons tegenhoudt om de stand van zaken tot op het einde door te denken. Daarom stelt hij een fundamentele wijziging van deze beeldspraak voor: het licht aan het einde van de tunnel zijn hoogstwaarschijnlijk de koplampen van een andere trein die aanstormt vanuit de tegenovergestelde richting.

Eerst en vooral maakt deze hertekende beeldspraak komaf met de valstrik van het geloof in een andere realiteit, een verlossing die we zouden tegenkomen eens we uit deze tunnel zijn. Die verlossing is theoretische lafheid die ons beperkt echte veranderingen te viseren. Werkelijk atheïsme legt de nadruk op het feit dat er geen andere realiteit is. Er is slechts de tunnel en we zullen er waarschijnlijk niet uit kunnen ontsnappen. Het is ijdele hoop om de blik naar boven te richten, naar een theoretische garantie, naar een geloof dat er voorbij de inconsistenties iets ‘is’. De juiste ‘diagnose’ van het licht, wijst op een dimensie van dubbele waarheid: er is geen verlossing uit de realiteit maar tegelijkertijd is die realiteit misschien niet zo’n consistent geheel als we denken. Wat is dan het statuut van wat we de realiteit noemen?

Wanneer we bijvoorbeeld het biologische lichaam denken, dan denken we aan één lichaam, het lichaam dat we hebben, de binnenkant netjes afgesloten van de buitenkant. In principe, en zelfs in zuiver biologische termen, is deze assumptie onhoudbaar. Voortdurend neem ik objecten van de buitenwereld in dat lichaam op en scheid ik objecten af. Macrobiologisch gezien zegt men daarom dat de spijsvertering de barrière tussen binnen en buiten is. Op microbiologisch vlak is dat echter alles behalve waar. We wisselen voortdurend deeltjes uit met elkaar. Onder de microscoop gezien heeft het lichaam geen echte afscheiding van de buitenwereld. Het feit dat we het lichaam als één tellen heeft te maken met het macroscopisch beeld van het lichaam als eenheid. We kunnen bovendien oneindig blijven inzoomen totdat we slechts terecht komen in een lege ruimte waarin enkele atomen rondzweven. Dat zoomen kan blijven gaan, voor zover onze apparatuur reikt. De assumptie van een mooi gesloten geheel van het lichaam en dus de nauwkeurige afsluiting van datgene wat buiten dat geheel ligt, is dus in principe wetenschappelijk onhoudbaar. We moeten toegeven dat deze assumptie slechts te maken heeft met het macroscopische beeld van het lichaam, dat wat we zien als realiteit.  

Dat kan ook begrepen worden als de kaart die de speler van de laatste versie van GTA ziet. Des te meer de speler het spel ontdekt, des te groter de kaart wordt. Tijdens het spel krijgt de kaart daarom een bizarre vorm. Problematisch met deze metafoor is echter het feit dat dit a priori door mensen gemaakt is, er bestaat dus virtueel een volledige kaart, de kaart die door de spelmakers ontworpen is. Als we deze metafoor gebruiken, moeten we deze strikt bekijken vanuit het perspectief van de speler. Er is geen enkel intelligent wezen dat weet heeft van de volledige kaart. Verder moeten we ook aannemen dat deze kaart tot in het oneindige kan blijven uitbreiden, zodat de speler nooit tot een totaalbeeld zou kunnen komen.

Als we kijken naar de moderne kunsten, kunnen we stellen dat heel het idee van realiteit in vraag is gesteld in functie van wat meer reëel is dan realiteit. Het was bijvoorbeeld de drijfveer van Picasso om, in zijn woorden, een reële te representeren dat meer reëel is dan reëel. In Picasso’s schilderij ‘Le peintre et son modèle’ lijkt hij zijn kritiek op het idee van realiteit te uiten. Al de figuren in het schilderij zijn geabstraheerd, ook het model. Enkel het schilderij van het model in het schilderij zelf volgt de wetten van wat we de realiteit noemen, alsof slechts daar, op het doek ‘de realiteit’ bestaat. Het is de verhouding met de realiteit alsof het een consistent spiegelbeeld is. In werkelijkheid is er veel meer (en minder) aan de hand.

picasso_2

Er zijn onophoudelijke inconsistenties, contingenties, er is een oneindigheid aan mogelijke nuances, spelingen en accentverschuivingen. Je kan zeggen dat de realiteit met haken en ogen aan elkaar zit, er zijn verschillende perspectieven en percepties. We veronderstellen slechts een werkelijk ‘Ding op zich’ doordat er verschillende perspectieven zijn. Er is echter geen uitzondering op die verschillende perspectieven. Er is niets waarvan we kunnen zeggen dat het eraan voorbij ligt. Het is de fundamentele inconsistentie die ons een realiteit voorbij de realiteit doet veronderstellen. Het zogenaamde ‘Ding op zich’ zijn de verschillende perspectieven op zich, zonder uitzondering. Is het niet dat wat Picasso ergens representeert met de gitaarspeler? Wanneer hij ‘De gitaarspeler’ representeert, doet hij dat vanuit verschillende hoeken. Er is niet één juist perspectief, er is een fundamentele kloof, toch zit er niets achter. Zo lijkt Picasso van het substantief naar het adjectief te gaan, van de gitaarspeler naar zoiets als de ‘gitaarspelerheid’, met alle vreemde dimensies, om op een immanente manier toch het meest fundamentele te vatten.

thumb_large.jpg

Op dezelfde manier vraagt Parmenides aan Socrates “wil je zeggen dat dingen gelijk worden door onderdeel te zijn van gelijkheid, groot door onderdeel te zijn van grootheid, rechtvaardig en mooi door onderdeel te zijn van rechtvaardigheid en schoonheid, en hetzelfde voor andere ideeën?” Waarop Socrates antwoord: “Ja dat wil ik zeggen.”

De afwezigheid van een extern ‘Ding op zich’ doet ons echter de vraag stellen in welke zin er dan een garantie is op waarheid. Dat is bijvoorbeeld de vraag van Descartes in zijn Meditaties. Zo bespreekt Badiou bijvoorbeeld in zijn seminarie l’Un deze fundamentele vraag van Descartes. Die laatste is op zoek naar het fundament van waarheid, waar hij na zijn eerste fundamentele waarheid, namelijk die van ‘ik ben’ – de uitspraak die het subject doet bestaan enkel en alleen tijdens de uitspraak zelf – een garant zoekt voor waarheid die niet vluchtig en tijdelijk is. Descartes is in zijn zoektocht naar een fundament van de waarheid genoodzaakt om een God te poneren die kennis als 2+2=4 aan hem als waar doet voordoen. Het is God die hij nodig heeft als ‘grote Ander’. Dat is het veld van de taal en de garantie van de juistheid ervan. Het is slechts vanuit die garant dat Descartes iets kan zeggen, niet over ‘ik ben’, maar over ‘dat wat ik ben’, over zichzelf dus als een object, binnen het veld van wat God (of de grote Ander) meer in mij ziet dan mezelf. Met deze beweging vindt Descartes dus een externe instantie uit die wél vat heeft op het reële ‘Ding an sich’ dat hij zelf zou zijn.

Badiou geeft hier echter kritiek op Descartes. Voor Badiou is er geen waarheid, maar doet waarheid zich voor. Waarheid doet zich slechts voor in een gebeurtenis. Een gebeurtenis is datgene wat een voor en een na kent, datgene wat zich voordoet, waaraan men trouw is en wat de coördinaten van wat we de realiteit noemen verandert, dat wil zeggen, hetgeen de coördinaten verandert van dat wat als mogelijk wordt gezien. Zo kan een gebeurtenis een poes zijn die recht in je ogen kijkt, een droom, de Franse revolutie of een bepaalde vrouw die je tegenkomt in de trein en je hele leven herstructureerd alsof het een grote voorbereiding was op dat ene moment. Zo’n momenten van waarheid worden pas een gebeurtenis door toewijding.

Maar wat als er zich niets voordoet? Pas als het licht aan het einde van de tunnel wordt gezien als een andere trein die aanstormt, kunnen we dus onze dispositie zien als onvolledig en daarom veranderbaar binnen de elementen die we nu hebben. De waarheid zit hem niet in het feit dat we vastzitten, noch in een realiteit buiten de onze. We zijn wel genoodzaakt om te werken en verantwoordelijkheid op te nemen. Het houdt geen steek om te geloven in de politicus die de realiteit predikt als excuus, “er is geen alternatief, het is nu eenmaal zo”. Tegelijk mogen we niet optimistisch zijn wat betreft een geheel andere mogelijke realiteit. Opstanden zijn vandaag alomtegenwoordig en de belofte is soms groot, toch zijn we niet in staat een nieuw systeem voor te stellen. Radicaal-links kan vandaag dus enkel improviseren met wat er gebeurt. De partituur is onvolledig. De mogelijkheden van een werkelijke improvisatie zijn eindeloos, maar timing is alles, er is wel degelijk zoiets als het beste wat je kan doen. Toch is net dat wat er echt toe doet niet op voorhand te denken, laat staan te schrijven. Ten opzichte van die radicale verantwoordelijkheid kunnen we enkel slechter doen. Laat het een ethische drijfveer zijn eerder dan een doel: de bereidheid om te handelen wanneer het nodig is, los van wat we als mogelijk denken, los van het eigen comfort, los van de eigenliefde. Het kan… want het moet!

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *