Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand i

Over de gevaren der Aards bestaan

Deel 1 Introductie

Moesten we allemaal op zee leven, dan waren de problemen de wereld uit. Vraag maar aan Kapitein Wolventand. En dat ben ik. Dus ik kan het weten. En u leest het nu zwart op wit. Wat kan u zich nog meer wensen?
Ik leef al jaren op zee. Slechts af en toe ga ik aan land. Om kippenworst te kopen. Buiten kippenworst eet ik niet veel. Maar dat heeft allemaal geen belang. Allemaal op zee, zeg ik. En ja, er zijn wat kwaaltjes. Maar niets onoverkomelijk. Pas een beetje op en je overleeft met gemak scheurbuik, schimmels en andere zwammen.

Waarom schrijf ik jullie landlopers? Wel, het begon allemaal bij een benadering. Het begint altijd bij een benadering. Door wie werd ik benaderd? Door de mannen en vrouwen van wijlen de Vrije Marx. U heeft daar nog nooit van gehoord? Wees gerust, ik toen ook niet. Het zal aan de marketing hebben gelegen. Ofnee, laat dat nu juist het gene zijn dat ze bekritiseerden. U weet wel, het kapitalisme. Alsof niemand dat ooit  al had gedaan. En het communisme ontsnapte ook niet aan hun kruisverhoor. Er zijn weinig ‘ismen’ die aan hun betoog ontsnapten. Soit, u begrijpt het wel: Kritiek, kritiek, alleen maar kritiek op het systeem, op de media, op de politiek, etcetera etcetera.

Welnu, deze cynische zielen hebben een nieuw platform opgericht. Ik heb trouwens een hekel aan het woordje platform. Maar dat heeft nu geen belang. Het kind heet Parallax. Ze vroegen me mee te schrijven. Wijze keuze. Ze hebben een leider nodig. Iemand die de zaken vanuit de juiste hoek beschouwt. Als kapitein leer je te relativeren. U zou eens moeten weten. Talloze geinfecteerde ledematen van mijn bemanning heb ik afgezet. Dat deed ik nauwkeurig en snel. Geen greintje emotie. Je bent kapitein of je bent het niet. Tot er niet veel ledematen of bemanning over waren. Letterlijk, want vandaag ben ik alleen op m’n schip. Geen erg, ik vrees geen eenzaamheid.

Trouwens, echt eenzaam voel ik me niet. Er zweeft een constante zwerm gillende meeuwen boven de boeg en geregeld zwemt er dezelfde stokoude bultrug voorbij. Er hangt een spin boven de badkuip en hij kan geen kanten uit. Dagelijks danst een blauw krabje langs de reling en een vliegende vis in zijn tienerjaren daagt de meeuwen uit door elke dag even op het dek te springen. De vogels duiken – egoïstisch als ze zijn – zonder nadenken naar beneden maar de vliegende tiener is al lang terug in het water geplenst om te gaan stoefen tegen zijn tienervrienden en tienervriendinnen. Wacht tot ma en pa dat horen, vissenvriend, het zal uwen besten dag niet zijn. Hoewel ik het risico van de vliegende vis ook bewonder en er plezier in schep dat die gevederde maniakken, al was het maar even, op hun plaats zijn gezet.

Hun gekwetter schokt dan even na de vissenstreek en dan plaag ik ‘volgende keer beter jongens!’. Dan briesen en krijsen ze tot het mijn beurt is te bulderen. Ik roep dat als ze zulk gedrag niet kunnen verdragen, ze maar op een ander moeten gaan jammeren. Maar ze blijven.  Ze blijven. Dus de relatie werkt. En voor de rest heeft het allemaal geen belang en al schijten ze de hele boeg nog onder, ik merk er niks van, dankzij het gebroken water dat opstijgt, neer klettert en hun grijs gevoeg de zee in sleurt.

Weet u, ooit gaf een onschuldige zeemeermin me een gouden vulpen. Ze zei: ‘Hier, want een pen werkt niet onder water.’ Ik antwoordde dat het pennetje nu waarschijnlijk ook niet meer werkt en ze keek bedroefd. Zo zijn zeemeerminnen. Om nog maar van zeemeermannen te zwijgen. Maar haar onwetendheid over landelijke werktuigen ontroerde me. Zelfs moest het pennetje werken zou ik het nog niet gebruiken. Typen is veel makkelijker, maar dat heb ik haar niet gezegd. Het zou me teveel tijd hebben gekost om uit te leggen wat typen betekent. Tijd die ik niet had want ik moest naar het vasteland.

Het eerste wat ik deed toen ik voet aan wal zette, was uiteraard kippenworst kopen. Dat heeft me gesmaakt en ik voelde me klaar om gevaarlijke, landelijke ontwikkelingen aan te gaan. Er kwam een kale man naar me en hij vroeg me waar ik de kippenworst vandaan had. Aangezien ik kale mannen niet vertrouw zette ik het maar snel op een lopen. Een beslissing waar ik achteraf op terugkwam omdat ik mezelf niet als lafaard beschouw. Ik ben immers kapitein. Dus liep ik terug en tackelde hem met geen greintje emotie, niks. Ik plaatste mijn knie op zijn nek en trok z’n armen stijf naar achter. Ik zei hem dat ik het niet heb op kalerds en vroeg of hij bewust voor zijn kale knikker had gekozen. Hij stak het op zijn ouderdom dus trok ik nog iets harder aan zijn tengere armen. Als kapitein moet je zeker zijn. Maar hij bleef het aan zijn ouderdom wijten dus hielp ik hem recht en vertelde hem dat ik meelij voelde voor zijn toenemende lelijkheid. Ik gaf hem een cent voor de kippenworst hoewel hij de winkel zelf mocht gaan zoeken. Ik had in zijn broek duidelijk de vorm van een smartphone ontwaard. U gaat me niet wijsmaken dat ie geen Maps heeft en ik heb wel andere dingen te doen zoals gevaren in kaart brengen, te kijken naar waar het vandaag allemaal misloopt. Mannen die bewust kiezen om kaal rond te lopen zijn beslist één van die gevaren.

One thought on “Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand i

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *