Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand ii

 

Over de gevaren der Aards bestaan

Deel 2 Naar school

Het is best vreemd hoor, vaste grond onder je voeten. Een horizon die niet deint. Reeds enkele weken spendeer ik, Kapitein Wolventand, nu tussen jullie landlopers. De herfst hangt boven de continenten. Met al een snuifje winterlucht. Alles gaat slapen. De bomen kalen, zo ook de struiken maar het koppige gras trekt er zich niks van aan. Paddenstoelen koloniseren het woud en biologie leerkrachten wachten ongeduldig op herbaria.

Het is met een lage zon in de rug dat ik door het vasteland kuier op zoek naar de gevaren van het aards bestaan. Maar waar te beginnen? Niet zo lang geleden liep ik door een bos. Welk bos heeft geen belang. Daar zag ik een koppeltje met een buggy. Daarin lag hun kind. De dreumes had een mutsje op en een sjaaltje rond.  Die moesten hem beschermen tegen de elementen. Ik wandelde op het koppel af en zei hen dat ze best het mutsje en sjaaltje konden afdoen zodat de kleine tenminste wat weerstand kon kweken. De vader vroeg me waar ik me mee bemoeide dus stampte ik zo hard als ik kon op z’n tenen, zonder een greintje emotie, niks.

Terwijl hij duizelde sprak ik tot de moeder: ‘Ik ben Kapitein Wolventand.’ De vrouw riep door haar snikken heen: ‘Nog nooit van gehoord!’ en dreigde de politie te bellen. Het kind daarentegen zwaaide zijn dikke armpjes duchtig in het rond en leek te lachen met het lijden van de vader. Dat nodigde mij uit om hem nog een trap te verkopen maar als ik één ding heb geleerd is het dat je een goed moment soms gewoon een goed moment moet laten zijn. Ik keek in de onschuldige, blauwe ogen van de kleine en wist wat me te doen stond. Mijn queeste zou beginnen op school. Ik ben nooit naar school gegaan ziet u. Mijn rechtschapen ouders waren ervan overtuigd dat alles wat ik moest weten zich op zee bevond.

Ik klopte aan op de eerste schoolpoort die ik tegenkwam en mocht naar binnen. Daar zat achter de balie een vrouw met rimpels zo diep als een ravijn en een bril met glazen zo dik als een gipsplaat. Ze vroeg of ze mij kon helpen. Toen ik antwoordde dat ik Kapitein Wolventand ben en me kwam inschrijven kraste ze dat ze mijn naam niet kende en vroeg ze of ik misschien ‘BV’ was. ‘Nog niet’, antwoordde ik, ‘maar hoe zit het nu met die inschrijving mevrouwtje?’

De inschrijvingen waren blijkbaar al afgelopen en ze opperde dat een vreemde, volwassen man die ruikt naar vis en zeelucht geen plaats heeft op een deftige school als deze en dat als ik niet snel het college verliet ze de politie zou bellen. Een trap op haar tenen kon ik niet geven want de balie stond in de weg dus zag ik me genoodzaakt het gebouw te verlaten maar zo snel gaf ik het niet op. Ik ben immers kapitein.

Ik wandelde tot ik een Standaard Boekhandel tegenkwam en kocht de nieuwe thriller van Dan Brown. Hoe dat boek heet, heeft geen belang want ik ga hier niet zomaar reclame maken. Toen ik weer bij het vrouwtje aankwam, grepen haar paniekerige vingers naar de telefoon maar ze stopte abrupt toen ik het boek uit de zak haalde. Ze lonkte naar de titel en sidderde van genot. Ik hield het voor haar neus en meteen was het mens in de ban. Ik lokte haar de ruimte uit en gooide het zo ver mogelijk de straat op en ze spurte er achter aan, net zoals vele andere bejaarde vrouwtjes die plots hun tweede jeugd hadden gevonden. Wat ontstond was een gevecht op leeftijd om de verse Dan Brown te bemachtigen met schreeuwende omstaanders en toesnellende agenten die tevergeefs de oude garde uit elkaar probeerde te halen.

Snel stormde ik het college binnen en schreef m’n beruchte naam op in alle klaslijsten. Ik begon bij de kleuters. ‘Goedemiddag juf’, zei ik tegen het geschrokken vrouwtje. ‘Ik ben Wolventand en kom deze klas vervoegen.’ Ze stotterde en ik gaf haar de helft van m’n kippenworst, m’n favoriete snack die ik altijd in m’n rechterzak bewaar, waar ze cataconisch op begon te zuigen. Nu de juf voor een poosje zoet was ging ik kleermakerszit tussen het nieuw leven zitten. Zij hielden zich geconcentreerd bezig met blokken en ander verantwoord speelgoed.

Er was er ééntje die een driehoekvormpje door een cirkelvormig gat wilde duwen en hij huilde toen het niet lukte. ‘Geef hier’, gemaande ik, ‘Wat is je naam?’ Het manneke antwoordde dat hij Max heette. Ik vertelde hem dat je soms moet improviseren. Hij begreep er geen snars van dus stopte ik de driehoek in m’n mond, sabberde er op, tot er genoeg speeksel op zat en wrong het door de cirkel. ‘Kijk zo gaat het wel’, zei ik fier. ‘Max, als je later trouwt en je trouwring moet er af, door welke omstandigheid dan ook, maar je krijgt hem niet meer van je volwassen dikke vinger, sabber er dan op. Stop nooit met sabberen Max, afgesproken?’ – ‘Afgespjoken’, antwoordde Max en opgeladen verliet ik de kleuterklas opweg naar het eerste leerjaar.

‘Goedemiddag, ik ben Kapitein Wolventand en ik kom deze klas vervoegen.’ De grijze meester van het klasje zei dat ik geluk had omdat het net speeltijd was dus gingen we in twee rijen de trap af naar de koer. Daar had ik zeker de volle 2 minuten geen vriendjes, maar ik toonde geen greintje emotie, niks. Ik raapte al m’n moed bij elkaar en stapte op een vriendengroepje af dat zich nabij een struikje bevond. ‘Hey, ik ben Kapitein Wolventand, nieuw op deze school mag ik misschien meedoen?’ Een bazig meisje draaide zich om en zei kordaat: ‘Dat hangt er van af. Als je drie spinnen kan vangen en hun poten uittrekt, hoor je erbij’ waarop ze haar wenkbrauwen omhoog trok en een gezin pissebedden meedogenloos onder haar schoen de dood in joeg.

Meteen ging ik op jacht, maar ik ving geen drie spinnen. Wel een rups, en twee kevers maar dat bleek niet genoeg. De twee uur dat ik in het eerste leerjaar zat werd ik door nagenoeg iedereen gepest. Ook de meester deed mee aan de pesterijen. Mijn theorie is dat, alvorens mijn komst, hij het slachtoffer was van deze wrede praktijken en daarom blij was dat een nieuw slachtoffer zich had aangediend. Wanneer niemand keek verstopte ik de overige helft van m’n kippenworst in de knutseldoos tussen de wasco’s, Pritten en kwasten. Mijn zoete wraak. De geur van bedorven kippenworst kruipt nu eenmaal in de muren en heeft een halveringstijd van zeker vijf jaar.

Ik besloot ineens naar het zesde middelbaar te gaan, met het trauma van de pesterijen in m’n achterhoofd. Ik haalde diep adem en trapte zo beleefd als ik kon de deur in. ‘Goedemiddag, Kapitein Wolventand, ik kom deze klas vervoegen. Welke richting is dit?’ De docent vooraan draaide zich om. Zijn rechterhand met daarin een stokje krijt rustte op het schoolbord in het midden van een zin. ‘Handel’, zei hij vertwijfeld. ‘Aha’, zei ik, ‘Een crapuulklas’, en de titularis verviel in een geweldig geschater. Heel de klas, mezelf inkluis, bleef stil. Het was behoorlijk gênant maar zijn gebulder wist van geen stoppen en dikke tranen rolden over zijn wangen. Hij hapte vaak naar adem om zijn komisch gejank weer aan te voeren en greep naar zijn buik. Dit hoorde niet, besloot ik, er mag wel eens gelachen worden maar dit blijft nog altijd Het Onderwijs met de nodige ernst. Ik trapte hem vol op z’n tenen waardoor hij voor een fractie van een seconde blauw uitsloeg, zijn gelach werd het gebalk van een ezel en ongelukkig stootte hij met z’n hoofd tegen het bord. Hij zakte in elkaar, met een ontwakende buil zo groot als een tennisbal.

Wat een schande. Hij was dan het voorbeeld voor een klas vol met achttienjarigen die binnenkort de wijde wereld werden ingegooid, een wereld doordrenkt met gevaren nota bene, en daar lag hij.

Ik zette me op één van de achterbanken. Naast me zat een puber die op z’n pennezak krabbelde met op z’n schoot een smartphone. Ik vroeg hem waarom hij voor Handel had gekozen. Hij zei me dat zijn ouders dat voor hem beslist hadden. Het joch had veel liever Latijn gedaan, was er zelfs een krak in, ‘Maar moeder en vader hebben schrik dat ik dan uiteindelijk Rechten ga doen, of voor Ingenieur ga studeren en dat kan alleen maar leiden tot een burn-out’. De knaap zuchtte en fronste alsof het hem allemaal niets kon schelen.

De titularis kwam langzaam weer bij en kreunde van de hoofdpijn. Net op dat moment ging de bel waardoor hij door het luide lawaai van schuivende stoelen en dichtklappende schooltafels krijsend naar zijn oren greep. Daardoor kon hij op het laatste moment geen huiswerk geven en ik werd als een held door het puberend crapuul onthaald.

‘Waarom word jij onze titularis niet?’, vroeg er ééntje. Ik antwoordde glimlachend dat ik het zou overwegen maar dat ik een andere prioriteit had:  Mijn queeste volbrengen. Ze schenen noch het woord prioriteit als queeste te kennen ze dus legde ik uit dat ik op zoek ben naar de échte gevaren der aards bestaan. Ze waren niet verbaasd dat mijn roots op zee liggen. Een meisje zei me zelfs dat m’n adem rook naar verstrikt PMD in een kluwen zeewier. Ik zei dat ze met zo’n metafoor beter dichteres kon worden wat ook haar ambitie bleek maar haar ouders zagen daar geen graten in, dus schreef ze niet, en kwamen haar gekke beeldspraken enkel in haar spreken voor wat haar terecht tot weirdo en freak van de klas maakte.

Ik stapte de schoolpoort uit en zag hoe kleine Max op het fietsstoeltje werd gezet door zijn moeder. Ik grinnikte toen de moeder een kreet slaakte wanneer hij de het houten driehoekje bovenhaalde en het in zijn mond stak. Max kreeg een mutsje op en sjaaltje rond. Moeder en kind reden de herfst in.

En daar was het bazig meisje dat me zo gepest had aan de hand van haar vader. Gretig somde ze alles op wat ze die dag geleerd had en hij deed alsof hij luisterde. Het werd me duidelijk dat de onvoorwaardelijke liefde voor zijn dochter hem had verblind voor welke moordlustige feeks ze in feite is.

Onder de indruk van het schoolgebeuren en vol met kritische overpeinzingen klopte ik aan bij de directeur maar er volgde geen ‘Binnen!’. Ik trapte daarom de deur zo beleefd als ik kon in en vond de schoolbaas slapend in zijn bureau. De knal van de vallende deur had hem ongestoord gelaten. Voor hem lag een tijdschrift met op de openliggende pagina een recensie van de nieuwe misdaadroman van Dan Brown. Vier sterren. Ik kietelde hem aan z’n neus en in een giechelende waas ontwaakte de gezaghebber. Bij mijn aanblik spraken zijn ogen verwarring en ik nam hem bij zijn slappe hand. ‘Goeiedag’, Kapitein Wolventand’, zei ik, ‘Wij moeten eens praten’.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *