Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand iii

Over de gevaren der Aards bestaan

Deel 3 Sugardaddy

Ik trek niet zo graag een bouillon. Behalve kippenworst niets zo lekker als een rijke bouillon, maar hem zelf trekken? Nee, dan pas ik liever. Daar heb ik zo mijn redenen voor. De belangrijkste is dat het tijd en geduld vraagt. Mijn tijd is kostbaar want ik trok naar het vasteland met een prangende missie: de échte gevaren der aards bestaan in kaart brengen. Dan kan ik me niet gaan bezighouden met tijdrovende dingen zoals bijvoorbeeld het distilleren van een beetje vleesnat. Prioriteiten, daarover gaat het. Dat betekent niet dat ik geen geduld heb. Zoals u weet ben ik al jarenlang kapitein, een zeer capabele kapitein, en een capabele kapitein is ook een geduldige kapitein. Dus ben ik geduldig ook al trek ik m’n bouillon niet zelf. Wee degene die ooit durft te beweren dat ik niet geduldig ben. Ik trek één voor één je nagels uit en de foltering zou wel eens ettelijke uren kunnen duren. Daarna trek ik van je vuile nagels een bittere betweterbouillon, zonder een greintje emotie, niks. Het zal de laatste keer geweest zijn dat je Kapitein Wolventand ongeduldig hebt genoemd.

Misschien dat ik niet de enige ben met geduld maar alleszins wel één van de weinigen. Tijdens één van mijn vele omzwervingen door jullie afzichtelijke landkorsten besloot ik een keertje de bus te nemen. Toegegeven, ook al ben ik kapitein en verschiet ik van niets meer, ik was behoorlijk zenuwachtig. Ik ben qua transport enkel m’n schip en m’n kloverige voeten gewoon. Het was opmerkelijk hoe jullie aardlopers aan boord gingen. Met een haastigheid alsof de bus elk moment zou kunnen vertrekken. Ik daarentegen trad de bus traag binnen en knikte naar de buschauffeur. Daar stond ik dan. De bus was enorm vanbinnen. De chauffeur vroeg naar een vervoersbewijs. Hij was gezet, had een dikke rosse snor en kleine, blauwe oogjes in een roze kop. ‘Heb ik niet, maar ik zal je betalen mijn vriend’, en ik keek dromerig de bus weer in onder de indruk van de gekke infrastructuur met zijn kakofonie aan kleuren en blinkende, ingevette palen. ‘Drie euro’, sprak de man en ik grabbelde in m’n zak, vond drie stuivers en liet het in zijn vlezige hand vallen. Hij nam een ticketje dat ik meteen wilde aannemen maar hij zei: ‘Wacht even’, en stak het in het gele machien naast hem waar het een klein dansje uitvoerde, op en neer, begeleid door een stotterend gepiep. Daarna kreeg ik m’n ticket en het voelde een beetje warm aan. De chauffeur trapte het gaspedaal in, draaide aan zijn stuur en de bus schoot vooruit. Ik feliciteerde de man en stak triomfantelijk m’n vuist op. Daar ging ze. Ze was vertrokken. Lang bleef ik vooraan staan. Een gevoel van heimwee drong zich aan me op. Ik miste op dat moment de brug van m’n schip. Met vochtige ogen en open mond keek ik naar het voorbij glijdende aardse bestaan. Het platte asfalt dat onder de rijdende bus verdween stond in scherp contrast met de glooiende golven van m’n teergeliefde zee. Ik kneep het lauwe ticket tot een prop.

De chauffeur zei me dat ik mocht plaatsnemen wat ik onmiddelijk deed. Dit was zijn schip en hij de kapitein. Achterin zaten twee vrouwtjes van rond de zestig naast elkaar te keuvelen. Ze zagen er keurig uit met net dat ietsje teveel maquillage. Daar wou ik aanvankelijk een opmerking over maken maar toen ik hen naderde verslikte ik me in de zoete walm van hun penitrante parfum en trok m’n middenrif zich samen voor één luide, kille kuch. Daar schrokken de nette tantes van en ik bewoog mijn lippen maar er klonk geen stem. Mijn ogen prikten hevig en door mijn zoute tranen zag ik de wereld  niet meer. Onder m’n schedel zeurde een chemische koppijn. Ik besefte dat het uitermate gevaarlijk is om te lang in zo’n gaswolk te blijven dus zette ik me snel op veilige afstand, twee rijen achter hen.

Daar zoog ik naar harte lust de zuurstof op. Als gevolg werd ik overmand door emotie aangezien buslucht in het niets lijkt op de zilte zeelucht waar ik zo van hou. Dus sloeg ik uit pure frustratie op het raam naast me wat de vrouwtjes opnieuw deed schrikken, net zoals de overige passagiers, en in de achteruitkijkspiegel keek de buschauffeur streng op. ‘Excuses kapitein’, zei ik en ik gebaarde dat het niet meer zou gebeuren. Tien seconden later gebeurde het echter opnieuw toen de bus abrupt moest remmen voor een fietser die flitsend de bus de pas afsneed. Deze keer mocht het glas echt aan diggelen. De schuld zou ik op de fietser steken, omdat hij ook echt schuldig was. Misschien niet rechtstreeks aan het kapotte venster maar wel aan het uitlokken van kleine hartinfarcten en onverwachte G-krachten in een voertuig dat geen gordels kent. Maar ik geraakte niet door het venster. En de fietser buiten had het niet eens gehoord. De chauffeur echter wel. Hij keek terug op in de spiegel en waarschuwde: ‘Nog één keer en je mag uitstappen.’ Zijn rosse snor leek nu vuurrood met gesprongen haren. ‘Je blijft met je poten van m’n infrastructuur af, verstaan?’

Ik voelde me misbegrepen. Ik had de chauffeur immers willen helpen. De roekeloze fietser had wat meer respect voor z’n geliefde bus mogen tonen. Een groot gemis naar m’n teergeliefde zee, vrij van bussen en fietsers, vulde voor de derde keer m’n hart. Ik keek nog even in de spiegel en vond de ongelovige ogen van de chauffeur met gesprongen adertjes en het roze vlees van zijn gezicht dat in een recordtijd paars uitsloeg. Maar het was te laat. Mijn vuist raakte voor de laatste keer het glas dat koppig standhield en standhouden deed ook de bus. De chauffeur beval me naar voor te komen. Hij drukte op een knopje en met een zucht schoven de deuren open. De purperen kop bulderde dat ik moest afstappen. Zijn geduld was op. Ik antwoordde kalmpjes dat hij ooit wel een capabele kapitein zou worden als ie dat tenminste echt wou. Ik stapte uit en draaide me nog even om: ‘Ik ben trouwens Kapitein Wolve….’ Maar de deuren sloten, een scheet van naft en daar ging ze.

Ook de twee vrouwtjes waren uitgestapt en ik kreeg van hen een vuile blik. ‘Wees niet bang’, zei ik, ‘ik ben geen agressor, ik werd gewoon even slachtoffer van de melancholie en ik wilde die gevaarlijke fietser iets bijleren. Mag ik vragen, wat maakt jullie parfum zo aanwezig?’ Het ene dametje antwoordde kort en krachtig: ‘Vijgen!’ De ander kon niet anders uitbrengen dan een licht gegrom dus stapte ik naar haar toe, nam haar hand en kuste die. ‘Aangenaam, Kapitein Wolventand.’ Ze was zienbaar aangedaan door mijn hoffelijkheid en het gegrom nam zachtjes af. Ik doorstond hun giftige mist ook al moesten m’n neusharen eraan geloven en ben ik sinds heden bijziend.

Onder de indruk van m’n wezen als kapitein nodigden ze me uit voor een koffie in wat ze ‘een pannekoekenhuisje’ noemden. Het bleef echter niet bij koffie alleen. Duchtig discussieerden ze over welk dessert ze gingen bestellen. Het werd een coupe Brésilienne en ook ik kreeg er één. Maar het toetje trok op niks en ik schoof de vaas voor me uit. Ik wijdde het aan gevoelige tanden. Hun dessert echter, was al lang verslonden. De vrouwtjes stelden geen vragen en hakten met hun lange ijzeren lepels als mijnwerkers op de ijsberg in. Ik haalde m’n vertrouwde kippenworst boven en ééntje zei: ‘Och, onzen André rookte vroeger ook al wel es geire een sigaar.’

Het pannekoekenhuisje zat stampensvol en onder een symfonie van geroezemoes, klinkende glazen en tikkend bestek was er een stem die er af en toe bovenuit stak. Het geluid kwam van een grote zwarte man in maatpak die af en toe bulderde van het lachen. Hij zat tegenover een andere, slanke man ook in maatpak en met een spits gezicht als was hij een knaagdier. Zijn postuur leek zielig in vergelijking met het genetische wonder dat voor hem zat. Maar beiden hadden lol, veel lol. De rijke lach werkte bijzonder aanstekelijk en gefascineerd keek ik naar de betraande pretoogjes en hagelwitte tanden. De dametjes gaven hem echter een verwijtende blik. Dezelfde blik die ik daarvoor gekregen had. Ik voelde me anoniem verbonden.

‘Meneer kapitein?’, vroeg één van de vrouwtjes plots, ‘Is dat niet eenzaam zo alleen en zo lang op zee? Bent u daarom terug aan land gekomen?’ Uitgebreid vertelde ik hen over m’n grote liefde de zee, over mijn bestaan te water en oh wat snoepten ze van m’n verhalen. Eén van hen bestelde nog een cappucino met slagroom. ‘Niet de eenzaamheid, maar een queeste heeft me naar het vasteland gebracht. Ik zoek de gevaren der aards bestaan.’ Daarop trokken ze grote ogen en het vrouwtje dat de cappucino had besteld antwoordde spottend dat de zee heus gevaarlijker is dan het land. Ik klopte kort en krachtig op tafel. De dametjes slaakten een gil. Het pannekoekenhuisje werd stil. De betraande pretoogjes van de perfecte man verloren hun glans. De rat voor hem fronste en beide keken afwachtend. Het deerde me niet. Niemand praat zo over m’n geliefde wateren. ‘Moesten we allemaal op zee leven, waren de problemen de wereld uit’, gromde ik naar de tantetjes.

Een aarzelende ober kwam de cappucino brengen en langzaam kwam het geroezemoes weer op gang. ‘Misschien kan u beter gaan kapitein’, opperde één van de vrouwtjes. Het gezicht van de ander vormde langzaam terug de verwijtende blik van in de bus. ‘Bedankt voor het ijs’, zei ik, stond recht, wandelde tot aan het raam en zette me aan een ander tafeltje. Ik voelde hoe de meeste tafels mijn passen hadden gevolgd. Een kind keek onbeschaamd in mijn ogen terwijl hij de bruine suiker van zijn vingers aflikte. Ik keek priemend terug. De kijkers van de kleine hadden een helderblauwe, matte tint zoals alleen kleuters die hebben. Dan liet hij mijn blik los en stak zijn vork in de pannekoek voor hem die glinsterde van de bruine suiker. Dezelfde ober kwam naar m’n tafeltje en vroeg: ‘Voor u meneer?’ De tafelwissel moet vreemd voor hem zijn geweest. De knaap deed zijn best om daar niets van te laten merken. ‘Soep graag. Een kippenbouillonsoep. Lekker, lekker, breng mij maar kippenbouillonsoep!’ De ober fronste: ‘Dit is een pannenkoekenhuis, meneer. Hier hebben wij geen kippensoep’. Ik bestelde nog een koffie en moest mijn bestelling herhalen omdat de kelner me niet verstaan had door het geschater van de zwarte reus.

Mijn blik gleed terug naar de twee dametjes. Eéntje veegde haar mond af met een servet en excuseerde zich voor een bezoek aan het kleine kamertje. Ik zag hoe de ander niet één, niet twee maar drie klontjes suiker bij haar cappucino deed. Ze roerde. Ze tikte de lepel twee keer op de rand van het kopje af. Ze dronk gretig. Met haar tong likte ze haar lippen schoon. Ze keek nog even recht voor haar. Met een gezicht dat geen greintje emotie vertoonde. Toen viel haar hoofd met een dreun op tafel. Haar arm viel slap naar de grond. Haar vinger, die nog rond het handvat zat, trok de tas de onverbiddelijke afgrond in. Het kletste aan diggelen op de vloer en de mensen verslikten zich in hun stroperige pannenkoeken. Een bruine plas cappucino vergrootte zich onder tafel en vertakte langs de groeven van de tegels. In het midden dreef nog een hoopje slagroom, heel traag en anoniem. Een mini-ijsberg. De enorme, gespierde man schoot meteen recht en nam in zijn sprong bijna de tafel mee. In een mum van tijd stond hij naast haar. Het pannekoekenhuisje stond in rep en roer. De rat ontfermde zich over het andere vrouwtje dat net terug kwam van het toilet. Ze sloeg haar handen in ongeloof voor haar mond. Ze had haar schmink bijgewerkt. De ogen van de rat verkleurden rood en vochtig. Waarschijnlijk omdat het vrouwtje tevens een extra laag parfum had aangebracht. De enorme man legde twee vingers op de levensloze pols van het andere tantetje, sloot zijn ogen en stroopte zijn mouwen op. Hij omsloot met zijn boomstammen van armen haar middel en begon met korte, maar krachtige schokken te reanimeren. Ik dacht dat ze zou breken.

Ik heb toen voor het eerst iemand op het land zien sterven. Mijn koffie heb ik laten staan. Niet betaald. Ik geef geen geld meer aan dubieuze pannekoekenhuizen. Ik heb mijn queeste verdergezet. Ik heb visitekaartjes gemaakt. Daar staat alles op. Wie ik ben. Waarom ik hier ben. Aan een bushalte kwam ik een groepje scholieren tegen. Hoogstens veertien jaar. Eén van hen snoepte aan een lolly. Ik gaf hen m’n kaartjes. Met de lekstok in de mond vroeg de knaap brutaal: ‘Fwie is Fapitein Wolfentand?’ Daarop trok ik het snoep uit zijn mond, gooide het op de grond, ging er met al m’n gewicht op staan en al krakend slaakte het zoete gevaar zijn laatste zucht.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *