Waarom intellectuelen aan hun vingers ruiken

U kent het waarschijnlijk wel, het niet altijd even appetijtelijke zicht van de intellectueel die, zoekend naar de gepaste nuance, geconcentreerd met zijn vingers dicht bij de neusgaten, diep inademt. Zou hij door zijn papier hebben gezeten, look hebben geplet of appelsienen hebben gepeld? De hypothese dat intellectuelen, meer als anderen, door hun papier zitten, look pletten en appelsienen pellen, lijkt me naast de kwestie. De geur die de intellectueel verlangt te ruiken, lijkt zich maar niet te willen binden aan zijn geurreceptoren. Het is alsof hij een geur zoekt die hij ooit moet hebben geroken, niet helemaal wetende wanneer. De moleculen achter zijn nagels suggereren net voldoende de nabijheid van die geur om een glimp te geven van een of andere oorspronkelijke ervaring. De belofte van nabijheid is misschien al voldoende om het dwangmatige ruiken in stand te houden.

Laten we toch niet overhaast begrijpen. Was er wel zo’n oorspronkelijke ervaring, of doet de dwang tot herhaling zelf deze oorspronkelijke ervaring bestaan? We zouden de vergelijking kunnen maken met de herhalingsdwang van de vriend die jou uitnodigt om mee op reis te gaan naar die ongelooflijke plek waar hij het jaar daarvoor ook geweest is. Wat bezielt deze vriend dan wel om keer op keer te verwijzen naar die eerste ervaring – “vorig jaar zijn we hier lamskoteletjes gaan eten, het is echt helemaal niets veranderd”? Verraadt zijn herhalingsdwang niet dat hij heimelijk die eerste ervaring aan het creëren is? Het perfecte moment dat hij wil overdoen dringt zich op, maar is er misschien nooit geweest, of toch niet op die manier. Is dit niet precies de motor van jaarlijkse kerstfeestjes? Wat was hier de oorspronkelijke gebeurtenis? Wanneer elke genodigde ongemakkelijk zoekt naar de juiste houding op het kerstfeest met uitspraken als ”dit was het toch niet, vorig jaar deden we de pakjes voor het eten,…”, blijkt het dat kerstmis in wezen enkel de herhaalde mislukking van zichzelf is. De “echte kerst” – “dreaming of a white Christmas,…” komt steeds om de hoek loeren als datgene wat nooit concreet plaatsvindt. Zo legt ook de cynicus de vinger steeds op de onechtheid van de ervaring, op de onoprechtheid van small talk en de leugen van rituelen. Heimelijk verwacht hij de echte ervaring, de vraag is wanneer die plaatsvindt.

De cynicus is dus paradoxaal genoeg degene die het meest gelooft in de mogelijkheid van een “echte ervaring”, iets wat wij door onze hedendaagse gang van zaken verloren zouden hebben. De wereld van de cynicus is dus niet de wereld waarin we leven, maar een “echte” wereld die hem ontnomen is, een vormenwereld die precies aan de wetten van de geometrie gehoorzaamt en waarin zijn vrouw wel naar hem luistert. Omdat dit echter niet bestaat, moet hij, bij gebrek aan beter, genoegen nemen met zijn modeltreintjes in zijn kleine microkosmos in de kelder, een mini-samenleving waarin elk hefboompje op de juiste moment sluit en weer opent, een wereld die hij elke kerst verder kan uitbreiden – hij krijgt immers al tientallen jaren uitbreidingen van hetzelfde merk cadeau.

Toch zou hij nog een stap kunnen verderzetten, daar getuigt de geschiedenis van, en Zwitserland, natuurlijk, het land waarin oorlog niet meer is voorgekomen, waar het leger steengoed werd in het maken van zakmesjes, waar de treinen stipter rijden dan de wijzers van de klok, en alle vrouwen, naast hun plicht tot het maken van die gekke koekoeksklokjes, sinds de jaren ‘90 zelfs stemrecht hebben gekregen.

Er kan altijd een tandje bij. De compulsieve ruik-tic van de wijsgeer getuigt ervan. Zouden we hem plezier kunnen doen door in zijn slaap stiekem de verlangde molecule onder zijn vingernagels in te planten? Ik denk van niet. Misschien moeten we hem toch zijn plezier gunnen om er-altijd-net-naast te mogen zitten. Op die manier, door de afwezigheid van de verlangde geur, kan het échte Ding ten minste worden ervaren als voortdurend nabij.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *