Vrijheid, gelijkheid en… euhm

Een reactie op Lieven de Cauter’s filosofische nieuwjaarsbrief

 

 “The Square is a sanctuary of trust and caring. Within it we all share equal rights and obligations.” – Christian, The Square

 

“Vrijheid en gelijkheid zijn onverzoenbare termen,”[1] zo begint Lieven De Cauter zijn filosofische nieuwjaarsbrief, en daarom hebben we nood aan een bemiddelende term: solidariteit. Vrijheid is voor de liberalen, schrijft De Cauter, gelijkheid voor de communisten en broederlijkheid vormt het mooie evenwicht tussen de twee: socialisme. Maar is het zo simpel? Waren vrijheid en gelijkheid van wederzijdse handelspartners niet de noodzakelijke voorwaarden om vrije handel te bekomen, om uit het kluwen van het feodalisme te geraken? Waren het niet de liberalen die onze vrijheid en gelijkheid voor de wet hebben gerealiseerd ten gevolge van de Franse revolutie? Dat ze hiermee een haar in de boter hebben achtergelaten, dat klopt. Maar het haar in de boter wordt verstopt – en niet opgelost – door broederlijkheid, de “verzoenende” derde term.[2]

Het was (natuurlijk) Karl Marx die voor het eerst de vinger op de wonde legde door de derde term van deze drievuldigheid te vervangen – het zou de titel van een satirische komedie kunnen zijn : vrijheid, gelijkheid en Bentham[3]. De Franse (bourgeois-) revolutie heeft effectief de machtsbastjonnen van de toenmalige absolute monarchie een kopje kleiner gemaakt. Iedereen is sindsdien wettelijk gelijk en vrij. Maar de vraag van Marx reikte een stap verder: hoe krijgen deze waarden vorm in de concrete, dagelijkse wereld: vrijheid en gelijkheid, ja, maar voor wie? Om wat te doen? De noodzaak van vrijheid en gelijkheid was en is vooral verbonden aan de handel. Vrijheid is de vrijheid voor de koper en verkoper om als wederzijdse partners zaken te doen zonder enige externe verplichting, zuiver uit vrije wil dus. Gelijkheid van koper en verkoper is dan weer de voorwaarde voor een wederkerig correcte ruilovereenkomst, zo is uitbuiting en intimidatie uitgesloten. Toch?

Werkzoekenden zijn wettelijk vrij om hun werkkracht op de arbeidsmarkt voor beperkte tijd te verkopen aan een vooraf bepaalde som geld (salaris). De koper en verkoper van arbeidskracht sluiten hun contract dus in principe af als gelijken binnen de sfeer van vrije wil. Toch is de kapitalist (de koper) slechts in arbeidskracht geïnteresseerd omdat dit miraculeuze product meer opbrengt dan dat het kost. De werknemer verdient zijn salaris en de werkgever geniet van de vrucht die de werknemer extra produceert. Wanneer je het product werkkracht consumeert, krijg je dus paradoxaal genoeg meer waarde, en niet minder, zoals dat bij andere producten het geval is. Je bent je geld niet kwijt, integendeel, het groeit bij. Met deze winst kan de werknemer vervolgens nog meer werkkracht opkopen, waardoor zijn portefeuille exponentieel vetter wordt. Je kan deze kapitaalgroei natuurlijk enkel beginnen wanneer je reeds over een bepaald overschot aan kapitaal beschikt bovenop wat je nodig hebt om te overleven.

Deze werkgever is dus geïnteresseerd in werkkracht als een vervangbaar product, er staan immers steeds andere werkzoekenden te popelen om te kunnen werken, aangezien voor hen de mogelijkheid om op korte en lange termijn een leven te leiden afhangt van de verkoop van hun eigen werkkracht.

Hoewel we dus voor de wet gelijk zijn, is dit concreet gezien precies de bron van ongelijkheid, van een steeds groter wordende asymmetrie. Slavernij en feodalisme zijn dan wel min of meer de wereld uit (laten we de recente terugkeer van slavernij – ook in Europa – er even niet bijhalen), uitbuiting niet. De asymmetrie schuilt tussen de noodzaak tot het verkopen van je werkkracht om in je levensbehoeften te voorzien enerzijds en de opkoop van werkkracht voor de exponentiële accumulatie van het kapitaal van de werkgever/kapitalist anderzijds. Dit maakt de verzoening tussen formele (voor de wet) vrijheid en gelijkheid met concrete vrijheid en gelijkheid onmogelijk. Er is en blijft een tweespalting tussen twee klassen die onverzoenbare belangen hebben. De vrijheid voor de wet is dus onvrijheid voor de ene, iets onoverkomelijks, namelijk, wat betreft de noodzaak tot het voorzien in levensonderhoud voor hem/haar en zijn/haar kinderen. De kapitalist geniet wel van de vrijheid, namelijk de vrijheid niet gestoord te worden in zijn/haar winstbejag door eventuele beperkingen, titels, hogere machten, door staatsinmenging of extra belastingen (natuurlijk zijn er wel onvoorspelbare risico’s verbonden aan het inzetten van je eigen privékapitaal). Vrijheid en gelijkheid volgens de wet uit zich dus, in een kapitalistisch systeem, in de paradoxale vorm van vrije uitbuiting van de medemens, en het milieu, door de mens.

De onverzoenbaarheid waarover De Cauter het heeft schuilt dus niet tussen formele vrijheid enerzijds en formele gelijkheid anderzijds, die kunnen namelijk wel degelijk goed samengaan in de vrije handel. Het haar in de boter blijft steken waar de ideale liberale ideeënwereld iets ontkent dat in de dagelijkse wereld zijn logisch gevolg is, de concrete schaduw ervan, en dit is de politieke inzet.

Want wat heeft Bernie Sanders dat Hillary Clinton niet heeft? Waarin slaagt Jeremy Corbyn wel en Theresa May niet ? Waarom heeft de N-VA de door hen uitgedragen figuur van de Waal en de Moslim nodig? Waarin mislukt sp.a vandaag? Wat is het onbehaaglijk herkenbare in de film the Square (2017)?

Het gaat over niets minder dan de erkenning, miskenning of loochening van het aloude steentje in de schoen: klassen antagonisme – een klassiek concept dat blijft knagen. Hoe meer we het miskennen, hoe meer het doorschemert in de vorm van een arsenaal aan politiek ‘onoplosbare’ problemen: crisissen, opstanden, angst, geweld of schuld – zowel financieel als individueel. Klassen antagonisme uit zich niet zomaar in de klassieke karikatuur van de bipolaire strijd tussen twee klassen. De onmogelijke harmonie van hoge en lage klasse maakt dat de waarheid niet zomaar “in het midden ligt”. De wereld is niet slechts een geheel dat in twee contrasten is opgesplitst (Yin-Yang, Man-Vrouw, Rijk-Arm), er is een rest, de belichaming zelf van het antagonisme dat de rest zijn kleur geeft en schijnbaar niets met klassenverschillen te maken heeft. De naïeve harmonie tussen de hoge en lage klasse kan de schijn maar hoog houden indien ze een derde spelbreker identificeert: vrijheid, gelijkheid en … de (anti-semitische) Jood, de Waal, de Moslim, Rohingya, de Profiteur, Bentham, de scheidingsmuur zelf, (ja, ook) Trump of de Russen voor de Democraten, Francken voor de links-liberalen, de transgender of voor de Macrons van deze wereld les faits-néants). De derde term voorziet dus in de mogelijkheid tot ontkenning, miskenning en loochening van klassen antagonisme, terwijl het tegelijkertijd het bewijs ervan is. Dit is de dialectiek van de derde term. Neem dit weg, en je krijgt chaos. Dan wordt het namelijk duidelijk dat het slechts een plaatsvervanger was voor een intern probleem. Denk bijvoorbeeld eens Trump weg vandaag, hoe gaan we het anders doen? Haal bij de n-va Francken weg, en de omgekeerde Robin Hood, Van Overtveldt, verschijnt. Zonder de Russen wordt de onmacht van de Amerikaanse democraten al te duidelijk, etc. Dan heb je geen twee harmonieuze klassen en een buitenliggende verstoorder/oplosser meer. De derde term is dus inherent aan politiek. Hierover gaat de hegemonische strijd.  Of, zoals Wright tegen K. zegt in Blade Runner 2049: “There is an order to things. The world is built on a wall that separates kind. Tell either side there’s no wall and you’ve bought war … or slaughter.”

Dit derde element kan dus evengoed de scheidingsmuur zelf zijn. Voor zover twee klassen of geslachten gescheiden blijven, blijft het probleem buiten beeld. Zo begon het antagonisme tussen man en vrouw pas te spelen vanaf het tijdperk dat de vrouwenwereld (aan de haard) en de mannenwereld (in het publiek) niet meer strikt gescheiden werden. Het is maar wanneer de twee elkaar tegenkomen, dat de clash verschijnt.

Wat te doen met de derde term?

Ofwel kunnen we anticiperen op een harmonieuze wereld door het wezen van klassen antagonisme als pretbederver te “gentrificeren” (cfr. the “third way[4]”). De Belgische sociaal-democratische overwinning was daarin tijdelijk geslaagd. ‘Solidariteit’ was hier de naam voor de verbetering van de levensomstandigheden van de lagere klasse. Omgekeerd werd er toch impliciet op het klassen antagonisme gerekend om de assymetrische wereld draaiende te houden. Dit was dan ook haar Achilleshiel. De ‘rest’, de ‘spelbrekers’ of het ‘klassenloze gespuis’, insisteert. In het slechtste geval slaat dit om naar een nationalisme/fascisme dat een derde term als dé (anti-semitische) Jood nodig heeft waarin de oorzaak van de structurele verstoring wordt geplaatst (Jood is hier degene die achter de schermen de touwtjes in handen heeft en stiekem al het geld uit de economie versluist naar de eigen rekeningen etc.). Een andere omslag is deze waarin we ons momenteel bevinden: een omslag richting (neo-)liberalisme. Als in de sociaal-democratie/het socialisme de lage klasse de klassenstrijd (tijdelijk) heeft gewonnen, keert deze, van zodra er geen dreiging meer is, om naar de overwinning van de hoge klasse. Alles wat groei in de weg staat, moet worden afgebroken om hogere winsten en een hogere performantie te bereiken (lagere lonen, minder bescherming, maatregelen voor een groter reserveleger werklozen, afbraak van werkloosheidsuitkeringen, besparingen in cultuur en zorg, enzovoort). Het is toch wel frappant dat liberalen voor individueel atheïstisch goeddunken en vrijheid staan, terwijl het de grootste impliciete regulering door en spirituele overgave aan de “onzichtbare hand” van de vrije markt mogelijk maakt. De instabiliteit ervan bereikt haar kantelpunt in stijgende actuele problemen waarvoor weer vroeg of laat een zondebok moet worden aangeduid (armoede, dakloosheid, uitbuiting, werkloosheid, klimaatproblemen, burn-out, depressie…).

Nieuw rechts slaagt er vandaag weer in om deze derde term te “benoemen”. Ik denk dat het de taak niet is van links om in die plaats een andere nieuwe term uit te vinden (solidariteit, broederlijkheid) die van klassen antagonisme iets politiek corrects maakt. Klassen antagonisme stopt zijn eigen eindeloze herhaling namelijk niet door verdoezeld te zijn. Het is ongevoelig voor compromissen en tolerantie, het blijft kleven als een nachtmerrie, zoals we in de film The Square goed kunnen zien. Hoe meer het hoofdpersonage als curator de harmonie en empathie tussen klassen in de kijker tracht te zetten in zijn bourgeois museum, hoe meer hij in het dagelijkse leven geconfronteerd wordt met het anders-zijn van die armen, die maar niet tot object van zijn politiek correcte goodwill gereduceerd kunnen worden. Het resultaat is ronduit angst: ze verschijnen als intrusieve elementen in de koepel van zijn geprivilegieerd wereldje en dreigen deze koepel aan diggelen te slaan. Misschien is de enige authentieke linkse positie vandaag niet simpelweg het afbreken van muren en grenzen (en zo het veroorzaken van chaos en extreem rechts), maar het blootleggen en doorwerken van diens bestaansredenen waardoor deze muren en grenzen hun noodzaak zouden kunnen verliezen. Tevens toont The Square duidelijk dat ook de kunstensector zelf hierover moet bezinnen om te kunnen overleven (in The Square is de kunstensector ten dode opgeschreven, al beseft ze het zelf niet). Meer moraliserende en tevens onmogelijke solidariteits-, broederschaps- of warmste-week-geboden zijn misplaatste plaaggeesten van een mislukt project: de krampachtige derde weg van liberaal links. Om dit aan te pakken moeten we de laatste liberale heilige huisjes omver werpen. Deze wereld is reeds het resultaat van liberté, égalité, fraternité. Broederlijkheid lijkt dus het hoogste, het meest humane, maar het is tegelijkertijd een indicator/sluier van de persisterende onmogelijkheid van formele vrijheid en gelijkheid om hun uitwerking in de concrete wereld toe te passen. Hoe kunnen we dit dan op de meest universele manier benoemen? Ik stel voor: vrijheid, gelijkheid en klassenstrijd.

[1] beschikbaar op http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2018/01/02/een-filosofische-nieuwjaarsbrief-de-derde-term-van-de-revolutie

[2] Slavoj Zizek, heeft, als goede Hegeliaan, deze dialectiek glashelder geformuleerd in Absolute Recoil, p. 361-372

[3] Jeremy Bentham was een 18e eeuwse liberale filosoof en jurist, één van de meest invloedrijke utilitaristen. “Bentham was een pleitbezorger van individuele en economische vrijheid, scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting, gelijke rechten voor vrouwen, dierenrechten en de afschaffing van slavernij en fysieke straf (ook voor kinderen), het recht op echtscheiding en vrije handel.” (https://nl.wikipedia.org/wiki/Jeremy_Bentham)

[4] https://en.wikipedia.org/wiki/Third_Way

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *