Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand IV

 

Over de gevaren der Aards bestaan

 

Deel 4 Przewalski

 

Als er één ding is waar ik helemaal van opfleur dan is het wel een goeie, ouwe tegenwind. U weet wel, die dekselse muur van lucht, aartsvijand van elke fietser. Er zijn slechts weinigen die dat helse gewapper liefkozen. Ik, Kapitein Wolventand, ben één van die weinigen. Ik zal u uitleggen hoe dat komt. Ziet u, van de vier elementen is lucht ongetwijfeld het meest onderschat. Zo stapte ik onlangs naar een bejaard vrouwtje en fluisterde ik het woord ‘lucht’ in haar verlepte oren. Ze schrikte op en kraste met verstokte stem: ‘Blauw!’. Het mens associeerde lucht met de blauwe hemel die boven onze hoofden hangt en die zij al lang niet meer kon zien omdat de reuma in haar rug dat streng verbood. Het dametje zag enkel nog de stoep, haar schaduw en trage pas. En zoiets valt absoluut niet te benijden want dat is volgens mij doodsaai. Maar na haar uitspraak rolde als bij wonder een stevige tegenwind genadeloos de straat in en deed haar vrome rok naar de hemel graaien, duwde de spataderen langs haar kuiten weer dieper de huid in en spon de strijd aan met haar versleten wervels. De wind won natuurlijk. De wind wint altijd. Het vrouwtje gilde. Een korte, luide knak en plots kon ze weer naar de hemel kijken. Ze bedankte me. Ik had echter niets gedaan. Maar ik gaf haar m’n visitekaartje. Ik heb namelijk sinds kort keurige visitekaartjes gemaakt. Er volgde nog een rukwind en een dozijn van m’n kaartjes vloog op, hoog boven de stad, en verdween achter de oranje daken. Op de kaartjes staat geschreven wie ik ben. Waarom ik hier ben. Ik ben Kapitein Wolventand en ik kom de gevaren van het Aards bestaan in kaart brengen.

Voor het eerst heb ik op het land het nieuwe jaar ingeluid. Ik had er veel over gehoord. Verhalen over tonnen vuurwerk die de lucht in worden geschoten. Vazen cava die zelfs de zuurste pruimen doen grijnzen. De drie kussen waarvan het onzeker is of ze wel gemeend zijn. En nog tal van andere tradities.

Op zee doen we niet aan drie kussen bijvoorbeeld. Echte zeelui bonken met hun voorhoofd tegen elkaar op, zoals rammen doen wanneer ze het hart van een ooi voor zich willen winnen. Dan duwen we met onze koppen tot de ander zijn evenwicht verliest. Wanneer de ander op de grond klettert, lachen we beiden luid, helpen we elkaar recht, plaatsen we ons bekken tegen elkaar, leunen we achterover, verliezen we onze lach en kijken we elkaar doordringend aan. ‘Beste wensen’ mompelen we dan. Daarna begint het slotstuk van de zeemanstraditie. We smeren beiden een dikke laag zeezout onder onze oogleden en houden een staarwedstrijd. Degene die het laatst knippert mag een fles rum op de verliezer zijn hoofd kapot kloppen en een waarzegster kiepert dan voorzichtig de scherven in een kommetje. Dan leest ze de scherven en voorspelt wat het komende jaar voor de twee zeerotten in petto heeft. Maar deze traditie bestaat enkel nog in m’n herinnering. Nu ben ik aan land en, zoals u misschien nog weet, vertoefde ik daarvoor alleen op m’n krakende schip.

Eerder toevallig werd ik uitgenodigd voor een oudejaarsfeest. Het gebeurde in een stadszoo. Wat een gedoe. Ik moest me opwinden tegenover de kashouder. Ik ging niet akkoord met het prijskaartje voor een bezoek. Ik stoorde me ook behoorlijk aan zijn zwakke, nasale stem. Daar kon hij waarschijnlijk niets aan doen. Een zware verkoudheid verplichtte zijn verdroogde lippen open te hangen zodat er tenminste wat lucht binnen kon. Zijn neusvleugels hadden het reeds zwaar gehad. Ze zagen rood, verschroeid. Met losse, doorzichtige splinters vel. Hij zat naast een berg klamme, gebruikte zakdoeken. Maar ik voelde geen compassie, geen greintje emotie, niks.  ‘Luister snottermans, ik ben Kapitein Wolventand en ben nog nooit in zo’n dierentuin van jullie geweest. Ik zou graag eens onderzoeken waarom jullie zo fervent dieren verzamelen. Geef me een kaartje en als het mij aanstaat betaal ik volgende keer met alle plezier.’

Mijn gratis entree heb ik niet gekregen. Dus heb ik een ticket gekocht. Alles voor de research, zeg ik altijd. En als Kapitein moet je soms voor het hogere doel je eer aan de kant schuiven. Een goede kapitein doet dat. Dus heb ik dat gedaan en begon ik aan m’n tocht door de zoo. Het weer was uitermate deprimerend. Een dik, donkergrijs wolkendek bande elk straaltje zon. Heel de dierentuin ging gehuld in schemer en hoewel het niet meer regende, hadden nog heel wat druppels langs afdaken, lantaarnpalen en kale takken hun weg naar de grond te vinden. Op het grindpad vond ik een besmeurde plattegrond van het park. Er plakte een klompje kauwgom in het midden dat een diersoort tussen de olifanten en giraffen verborg. Maar mijn aandacht ging meteen naar de rechterbovenhoek: Een weide van wilde paarden.

Ik weet niet of ik van paarden houd of niet. Maar ze intrigeren me. Eenmaal heb ik naast een gedomesticeerde merrie gestaan. Haar naam weet ik niet meer. Wanneer en in welke context heeft ook geen belang. Ik heb haar van top tot teen bekeken.   Met haar lange wimpers, gespierde benen, brede rug en enorme billen. Zo fors en toch ook fragiel wanneer het daverend op hol slaat en daarbij hinnikend en in het rond trappend zijn ruiter en zichzelf levensgevaarlijk verwondt.  Een wild paard daarentegen is nog vrij van de mens. Ik was benieuwd of ik dat aan de viervoeters zou merken.

Eerst hield ik halt bij de flamingo’s. Allen hadden hun kop onder hun rugveren gekruld. De vogels stonden in een stil, claustrofobisch vijvertje van nog geen tien centimeter diep. In de schemer leek hun zalmroze schijnsel vaal en afgeleefd. Ze sliepen. Het was een doodsaaie bedoening. Uit verveling trok ik het hompje kauwgom van de plattegrond, stak het in m’n mond en begon erop te kauwen. Ik besloot verder te gaan. Ik draaide me om en zette een stap vooruit. Toen hoorde ik een schel geluid als van een geblutste trompet en keek om. Eén van de flamingo’s was wakker geworden en plooide zijn boemerangkop in de juiste vorm. Zijn gele oog was strak op mij gericht. Ik draaide nu mijn hele lichaam naar het roze gevogelte. Een zucht wind. Het dier bleef me aankijken. Het voelde als een staarwedstrijd. Ik knipperde niet en kauwde zachtjes. Tussen mijn oren hoorde ik bij elke smak m’n speeksel tegen de vervormde gom slaan. Hij trompetterde nog een keer en nu werd de hele zwerm langzaam wakker. Hun ontwaken zag ik in een waas want ik hield m’n blik strak op de flamingo. Zijn pupil verwijdde en hij hief één poot op. Zonder zijn oog van me af te wenden, liet hij zijn ranke nek zakken en zeefde met zijn bek door het water. Het duurde even maar dan sloot hij zijn oog en kreeg ik de onweerstaanbare drang om een fles rum op z’n kleine kop kapot te slaan en hem het beste te wensen voor het nieuwe jaar. Maar het was nog geen nieuwjaar dus zette ik die gedachte uit m’n hoofd. Ik keek naar de rest van de flamingo’s en zij naar mij. Ik draaide me om en liep verder.

Ik passeerde krassende papegaaien ondersteboven hangend in hun kooi. Eéntje ijsbeerde op de grond tussen zonnebloempitten en andere zaden. Hij stootte op zijn wandeling een kommetje water om. Ik liep langs slapende panters, slapende leeuwen, een hoop lama’s die in de verte onder een afdak lagen te kauwen. Uiteindelijk kwam ik aan bij de wilde paarden. Er was geen ros te zien. Ze stonden binnen. Hun gestamp had de grond van hun weide helemaal omgewoeld. Het begon te regenen.

Het is daar dat mijn plannen voor oud en nieuw werden bepaald. Een jongeman in felblauwe regenjas stond naast me. Het was een blauw dat schreeuwde. ‘Kun je wilde paarden in een dierentuin nog wel wilde paarden noemen?’, grinnikte hij. Ik bleef even stil. Ik antwoordde of dat het een gewoonte van hem was om naar de zoo te komen om mensen met pseudofilosofische vragen lastig te vallen. Daarop zei de jongeman dat hij dacht een teleurstelling in mijn ogen te hebben gezien omdat de paarden binnen stonden. Ik haakte m’n voet achter zijn enkel, bracht hem uit balans, trok zijn rechterarm stijf naar achter en hield hem in een wurgreep. Ik vroeg hem of het een gewoonte van hem was om naar de zoo te komen om onbeschaamd mensen hun persoonlijke bubbel te doorprikken. ‘Ik ben gewoon een sociale jongen!’ krijste de knaap verdedigend. Ik trok harder aan z’n arm. Hij jankte. ‘Wat doe je morgen op oudejaar?!’ vroeg ik het joch met hem nog steeds in de wurggreep. ‘Ik ga een vet feest geven met veel booz!’, riep hij. ‘Mag ik ook komen?!’, vroeg ik dreigend en ik trok z’n arm met schouder net niet uit de kom. Ik hoorde zijn ligamenten blèren. ‘Natuurlijk!’, antwoordde hij en ik liet hem los. Met een rood hoofd en warrig haar kwam het ventje recht. ‘Hier heb je m’n kaartje’, zei ik kalmpjes. ‘Wel, wel, Kapitein Wolventand dus’, hijgde hij, ‘je bent een weirdo. Je gaat een uitstekende toevoeging zijn aan m’n feestje’.

Johan heette het joch. En hij woonde om de hoek van de zoo. Hij had een abonnement en passeerde dagelijks. ‘Liever de dierentuin dan een gewoon park’, vertelde hij de dag erop. Het was de dag van de jaarwisseling. Johan had zijn adres op één van m’n visitekaartjes gekrabbeld en daar stond ik dan. Voor een imposante, houten deur met glasraam. Een grauw herenhuis. De verf op de hele gevel was gebroken en bladerde af. Een hoop fietsen op de stoep voor het raam. Aan één fiets hing nog een knipperend rood lichtje. Ik klikte het uit en belde aan. Niet veel later sprong het ganglicht aan en hoorde ik vanachter de deur iemand snel de trap af stormen. Johan deed open. ‘Kapitein!’, sprak hij, ‘Komt u binnen!’

Beleefd als ik ben, overhandigde ik een fles rum en een kippenworst met een strik rond. ‘Een hapje’, zei ik en wees naar de worst. ‘Naar het schijnt doen jullie landlopers het op oudejaar ook met hapjes.’ Johan keek naar de fles en dan naar de kippenworst en gaf me een geforceerde ‘Wauw, dank je!’ De knaap zei me de trappen op te gaan. Naar de derde verdieping. Heel die verdieping was van hem, pochte hij. Zijn paleis.  Op de tweede verdieping meende ik plots een hoog gejank te horen maar zeker was ik niet.  Ik liep verder de trap op tot aan de deur op de derde verdieping. Er klonk geroezemoes en een lichte bas. Ik trapte de deur in en een golf van lawaai overspoelde me. Een fles die popte. Geknepen stemmen die boven andere stemmen en de muziek wilden uittorenen. Gegiechel en gelach. Borden die werden afgeruimd. Het openen van een bierblikje met sputterend schuim dat net niet over de rand liep.

Ik ging me voorstellen. Mijn hand reikte naar m’n broekzak. Maar toen ik m’n visitekaartjes wilde bovenhalen legde Johan zijn hand op de mijne en schudde zijn hoofd. Hij gebaarde dat iemand de muziek stiller moest zetten. ‘Of doe maar helemaal uit!’, riep hij nog. Ik stond nu in het midden met Johan. Het stoppen van de muziek deed iedereen opkijken. Johan deed teken om dichterbij te komen. De gasten verzamelden rondom ons. Sommige onder hen praatten zachtjes na wanneer ze zich vervoegden en er schaterde ergens nog een lach alvorens er aangemaand werd tot absolute stilte. In de verte klonk een knal.

Johan deed het verhaal. Wie ik ben. Hoe we elkaar tegen het lijf waren gelopen. Maar over waarom ik hier ben geen woord. Ik zag de gasten afwisselend van mij naar Johan kijken. De vrouwen hadden zich opgemaakt. Een paar droegen schijnbaar hetzelfde zwarte kleedje. De meesten hadden glitters op hun gezicht. Een groepje van vier had duidelijk de lippenstift van éénzelfde vriendin geleend want daar stonden ze naast elkaar met hun mond in dezelfde vuurrode tint. Alle mannen droegen een hemd. Er was er ééntje met een dunne das en ééntje met een strik.

Ik kreeg een glas cava in m’n hand geduwd. De muziek werd terug aangedraaid. Gejoel. Er werd een blikje omgestoten. Bier zonk in het tapijt. Ik zoog m’n cava in één teug naar binnen en voelde hoe de vrolijkheid zich onder m’n schedel vestigde. Meteen werd er bijgeschonken. Opnieuw leegde ik het glas in één keer en ik boerde. Aan de muur hing een klok. Ze zei half elf. Ik wandelde de keuken in. Ik sneed de kippenworst in stukken, prikte ze op tandenstokers en bracht ze rond op een schaaltje. Een paar mannen en vrouwen juichten en riepen met volle mond m’n naam. Johan mag dan een bemoeizuchtig joch zijn, tussen deze matrozen kon ik me wel vinden. ‘Waar is het toilet?’ vroeg ik. ‘Tussen de tweede en derde verdieping, Kapitein. Je weet wel, de trap af’.

Na het bezoek aan de kleine kamer hoorde ik het terug. Een hoog gejammer. Het kwam van achter de deur op de tweede verdieping. Ik heb niet lang getwijfeld. Ik opende de deur en vond een verduisterde kamer. Ik zocht naar de schakelaar. Er bewoog iets. Ik herkende het geluid. Het waren de nagels van een hond die wandelt over een houten vloer. Een zwarte labrador liep langzaam naar me toe. Hij stopte halverwege. Ik vond geen schakelaar. Hij keek me indringend aan. Het licht van de gang reflecteerde in zijn pupillen en gaf hem een demonische aanblik. Met gesloten bek jankte hij. Zijn blik liet me niet los. Opnieuw een staarwedstrijd. Plots klonk er een knal en vulde een felle rode schijn de kamer. De hond blafte en liep haastig terug het duister in. Door het raam keek ik naar een vuurpijl die omhoogschoot, vertraagde en in alle kleuren ontplofte.

Terug op de derde verdieping keek ik naar de klok. Halftwaalf toonden de wijzers. Johan was al behoorlijk aangeschoten, zo verraadde zijn glinsterende ogen. Hij schonk waggelend de gasten nog wat cava bij en begon plots bij een nummer hevig te springen en op de vloer te stampen. ‘Zet dat maar wat harder!’, loeide hij en ik zag hoe schuim zich langs de hals van de fles naar boven drong. Ik kon vanaf dat moment enkel nog aan de schuchtere labrador denken.

Ik dronk nog één cava en verstopte een volle fles in m’n jas. Daarna verliet ik het feest zonder iets te zeggen. De knallen kletterden door de straten en botsten op alle muren. Een groepje dronken jongeren riep iets. Niet naar mij. Het waaide hard. Ik sloeg de hoek om.

Ik klom over de muur en wandelde voorbij de kiosk met loketten waar ik, ondanks het donker, duidelijk de berg gebruikte zakdoeken van de kassier kon zien. De zoo zelf was stil. Enkel het geruis van bomen. In de verte klonk gedempt vuurwerk. Het ene al dichter dan het andere. Ik haalde de gekreukelde plattegrond boven. Een paar papegaaien werden krassend wakker van m’n knarsende voetstappen op het grind. Ik liep naar de stallen en probeerde een aantal deuren. Bij de derde had ik prijs. Ik wandelde door een duistere gang en hoorde wat ik zo lang had willen horen. Links van me proestte een wild paard.

Ik opende het slot van de staldeur. Traag en piepend zwaaide hij open. Ik draaide me om en liep verder de gang in. Iets verder stopte ik en leunde tegen de muur. Een paard stak zijn hoofd buiten en terug naar binnen. Weer een proest. Het dier stak zijn hoofd opnieuw de hal in. Het keek me aan. Ik knipperde meteen. Dan kwam het traag en voorzichtig in beweging. Hij liep door de gang, stak zijn neus in de lucht, grommelde en liep richting de deur. Een tweede paard volgde hem. Niet veel later ook een veulen. Het eerste paard stapte naar buiten. Het veulen schoot hem achterna en sprong nog voor hem de vrijheid in. Nog drie andere volgden. Ik deed de staldeur weer op slot. Daar stonden ze op het grind. Het veulen keek naar zijn voormalige weide. Een merrie snuffelde met haar neus over de bloemenperkjes en aan een vuilnisbak. Ik stapte terug langs de leeuwen, de panters, lama’s en papegaaien. De dieren waren nu wakker en volgden vanuit hun kooi m’n passen. De paarden wandelden traag achter me. Soms galoppeerde het veulen snel naar voor om even rap terug te sprinten en langs de veilige buik van zijn moeder te huppelen.

Aan de kiosk hield ik halt en zo ook de paarden. Ik keek naar de lucht. Ik zag het zwakke, oranje schijnsel van de staarten van honderden vuurpijlen die door de hevige wind in alle richtingen de hemel doorkliefden. De hel brak los. Onder een luid gedreun ontploften ze. De paarden sloegen op hol. Ze sprongen heftig in het rond. Het veulen deed zijn moeder na. Eéntje trapte een raampje van een loket aan diggelen. De scherven deden me aan de waarzegster denken en ik grinnikte. Ook de flamingo’s waren nu wakker en kakelden. Tussen het gestamp van de ronddravende paarden ging ik naar het vijvertje. Meer vuurwerk verlichtte onder luid geknal de hemel. Een olifant toeterde in de verte. Ik klom over de bescheiden balustrade, deed m’n schoenen uit, rolde m’n broek op en waadde door het vijvertje. De flamingo’s schetterden door elkaar. Ik zocht en vond degene met wie ik een staarwedstrijd had gehouden. Hij kakelde luid. Ik trok de fles cava uit m’n jas en tikte de vogel er één keer zachtjes mee op z’n kop. Hij keek verdwaasd. Ik schudde met de fles. De kurk loste vanzelf en schuim sijpelde in het vijvertje.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *