Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand V

Over de gevaren der Aards bestaan

Deel 5 Terrasje

Het is belangrijk om af en toe een gesprek af te luisteren. Zeker voor mij, Kapitein Wolventand. Dan leer ik iets bij over jullie landlopers en de gevaren der Aards bestaan. Zo was ik onlangs getuige van een babbel tussen een man en vrouw in een supermarkt. Ze stonden tegenover elkaar. Hun mandjes in de hand, rustend op hun middel. Wat hun relatie precies was, weet ik niet, maar dat heeft ook geen belang. Ze hadden eigenlijk niets tegen elkaar te zeggen. Hun gesprek begon behoorlijk duf maar plots kreunde de vrouw dat ze verlangde naar de zon. De man vulde daarop aan met ‘Oh, ja en dan zo’n terrasje!’ Waarop de vrouw haar mond opensperde en ze sidderde van genot. De twee vonden elkaar. Het werd een wedstrijd om ter hardst naar beter weer verlangen. Jullie aardlopers zijn blijkbaar heel gevoelig voor dat woord ‘terrasje’. Zeker nu. De winter is immers saai geworden. De feesten zijn voorbij. De bomen blijven bruin. Af en toe komt de zon eens piepen en was het een goeie dag. Maar meestal schakeert alles in grijs.

Na mijn bezoek aan de winkel trok ik naar een park. Ik klom in een boom. Daar had ik drie pogingen voor nodig. De eerste keer brak een tak onder m’n voeten en tuimelde ik naar beneden. Aangezien een goede kapitein ook een eerlijke kapitein is, durf ik daar bij te bekennen dat mijn vallen steeds gepaard ging met een hoog gilletje. Ik viel recht op m’n rechterbeen. De tweede keer geraakte ik tot hoog in de boom en zat ik best goed. Totdat een ekster naar m’n jaszak pikte en er met m’n kippenworst van door ging. Ik vervloekte het beest en zwaaide razend met twee gebalde vuisten maar verloor daardoor mijn evenwicht en viel pal op m’n linkerbeen. Ik gaf niet op. De derde keer was de clichématige goeie keer. Ik klom op een dikke tak en mijn afluisteren kon beginnen.

Twee heren passeerden. Beiden droegen een donker trainingspak, muts en sjaal en lieten hun honden uit. Eén van hen rookte een sigaret. Hoog in de boom spitste ik m’n oren. Ze hadden geen flauw benul van m’n luistervinken. Ze stonden nu pal onder me. Eén van de honden moest plassen. Het was een Bulldog. Het beest deed het tegen m’n boom. Onbeschaamd hief hij zijn korte, gespierde pootje op. Eén van de heren rilde. Hij zei dat hij het ‘fucking koud’ had. De andere trok van sigaret en antwoordde slechts met het woordje ‘frost’. Ik dacht eerst dat het een korte hoest was. Dan zei de één dat hij zin had in de zomer. En toen viel het weer. Het woord ‘terrasje’. Waarop hun ogen fonkelden en ze heftig begonnen te zweten. Van dat laatste ben ik niet zeker aangezien ik hoog in de boom zat maar de manier waarop beide honden plots hevig door hun neus snoven en begonnen janken zei genoeg. ‘Kom Bruce!’ De Bulldog schudde met zijn kop en huppelde terug naar zijn baasje. De andere hond, een Bordercollie, liep naar de boomstam om even aan de plas van zijn kameraad te snuffelen maar zijn baasje floot, zette de pas in en weg waren ze. Ik klom naar beneden maar gleed uit. Ik viel opnieuw wreed uit de boom. Op beide benen deze keer. Sinds dat moment mank ik lichtjes maar dat staat goed bij een kapitein.

Op het eerste terras dat ik tegenkwam ben ik gaan zitten. Het hoorde bij een knus café. Het was koud en ik knoopte m’n jas helemaal dicht. Plots voelde ik een warme gloed in m’n rug. M’n handen kleurden in een oranje schijn. Ik draaide me om. Er hing een warmtelamp. De barman binnen zwaaide naar me vanachter het raam. Hij wees naar de lamp en stak z’n duim op. Hij lachtte vriendelijk, draaide zich om en liep terug naar de bar. Ik keek naar de grond. Ik zocht en vond een losse kei zo groot als een tennisbal. Ik gooide hem door het raam en riep: ‘Eén rum graag!’

Ik nam een grote slok rum en keek naar de stoelen en tafels van het terras. Sommigen stoelen waren vastgemaakt en op elkaar gestapeld. De lege assenbakken blonken. Ik veegde met m’n vinger over mijn tafel. Hoewel hij proper leek, voelde hij vettig aan. Er lagen peukjes onder m’n voeten. Sommigen nog wit en vers met wat gele uitslag aan de filters. De meesten dorbruin.

‘Uw veters zitten vast hoor meneer.’ Een doorrookte stem. Voor me was een dronken vrouw het terras opgewaggeld. Ik schatte haar begin zestig. Ze had geen jas aan. Ze droeg enkel een olijfgroene bloes, een bordeaux broek en bruine, dichte schoenen met beige hak. Ze plofte zich naast me. ‘Ik zag u naar uw voeten kijken. Uw veters zitten vast hoor, kijk maar naar hier. Hier is de wereld meneer.’ ‘Het is kapitein, niet meneer,’ antwoordde ik statig en ze lachte hees terwijl ze naar haar handtas greep. Een slof Marlboro kwam boven, gulzig scheurde ze een pakje open en viste naar een sigaret. Thérèse was haar naam. Ze riep naar de barman die Hugo heette en even later kreeg ze een amberkleurig biertje. ‘Een kapitein,’ begon ze, ‘dan heeft u ook een boot?’

Mijn schip. Ik merk dat ik nog nooit heb vermeld hoe ze heet. De Schepper zo werd ze gedoopt. De witte letters op de romp zijn al lang vervaagd door alle stormen die ze heeft doorstaan. Ze heeft nog nooit zo lang aan land gelegen. Het is prettig om te weten dat ik elk moment terug de zee op kan. Maar ik heb een missie en vraag me af of ik me wel genoeg met jullie landlopers heb verbonden. Dompel ik me genoeg onder in jullie Aards bestaan?

Ik heb één kanon aan boord. Een antiek exemplaar. Het is nog niet veel afgevuurd. Af en toe voor een ceremoniële aangelegenheid of voor de lol in een dronken bui. Thérèses lippen bewogen, maar ik hoorde niet meer wat ze zei. Ik zag mezelf moeizaam het kanon de loopbrug afrollen tot op de kade. Ik zag mezelf de brug inlopen, de toppen van de vingers aan m’n rechterhand kussen en zachtjes op het stuurwiel plaatsen, de motoren aanzetten om dan even snel terug te rennen en op het laatste nippertje aan land te springen. Ik zou zien hoe mijn schip vertrekt zonder kapitein. Het kolkende water en sissende geluid van het schuim wanneer de schroeven op volle kracht draaien. De stenen kade zou mee trillen. Langzaam zou ik het kanon draaien als ze verder de zee opvaart. Ik zou wachten. Wanneer m’n schip nog net binnen bereik is zou ik het lont aansteken en vuren. Recht op de romp. Vanaf het land zou het een bescheiden impact zijn. Ik beeldde me in dat de zee en lucht in hetzelfde grijs zijn gekleurd. Dat het niet duidelijk is waar de zee eindigt en lucht begint. Mijn geliefde schip zou langzaam zinken.  Het zou lijken alsof ze in de hemel oplost. Haar laatste zucht zou een matte, zwarte rookpluim zijn. Boven me zouden meeuwen verwijtend krijsen.

‘Ik ben blij dat u met dit weer toch voor een terrasje kiest’, hoorde ik Thérèse zeggen. Ze vertelde dat haar man gestorven was. Toen ik vroeg aan wat, stak ze nog een sigaret op en antwoordde verbitterd: ‘De seizoenen.’ Ze zei me dat haar man zich nooit kon afstemmen op het weer. Dat hij vond dat het weer de mensen ziek maakten. Haar man werd gek van de donkere dagen in de winter en wanneer hij ze eindelijk gewoon was stond de lente voor de deur en verplichtte het hem vrolijk rond te lopen. ‘Het was vreselijk,’ zei Thérèse, ‘de lente maakte van hem een slecht mens. Hij haatte de tsjirpende vogels en kolderieke jongelui die plots weer zin in het leven hadden. Zo verstoorde hij geregeld gezellige picknicks in het park, knipte hij het touw van slackliners door en tikte zonder mededogen de jointen uit de vingers van bronstige pubers. Net als hij zich had verzoend met de lente, begon de zomer al. Hij deed zijn uiterste best maar kon niet volgen. Hij vond het vaak te heet. “Een terrasje doen” was niet aan hem besteed. Behalve ‘s avonds wanneer het koeler werd. Maar dan zakte hij te lang door en sliep hij te kort omdat het zo vroeg licht werd. Dat deed zijn gezondheid geen goed. Wanneer hij eindelijk kon genieten van de zomer vertoonden de meeste bladeren al vlekjes en kon hij enkel nog aan de herfst denken. In dat seizoen maakte hij elke dag een foto van dezelfde boom om te kijken welke bladeren precies waren gevallen. Volgens mij vond hij daar nog het meeste rust in. Op een mooie lentedag hebben ze hem gevonden onder een bloeiende Japanse sierkers. Aan de stam en gevallen bloesemblaadjes kon je zien dat hij hevig tegen de boom had geschopt. Het was mooi hoor. Hij lag als het ware onder een roos dekentje. Ja, kapitein, het zijn de seizoenen die mijn man hebben vermoord. Ik laat me niet meer door hen doen. Ik ben blij dat u met dit weer toch voor een terrasje kiest. Zie ons hier zitten. Op een leeg terras. In januari.’

Thérèse nam een grote slok van haar bier en veegde met haar mouw het schuim van haar bovenlip af. De warmtelamp doofde vanzelf. Hugo liep vanachter de bar naar de schakelaar. De warmtelamp sprong weer aan. Hij glimlachte naar Thérèse en ze lachte terug. Ik kreeg een vuile blik alvorens zijn gezicht verdween achter het stuk karton waarmee hij het gebroken raam afplakte. ‘U bent nogal een melig type,’ begon ik tegen Thérèse, ‘en wijlen uw man was zo te horen een etterbak.’ Ze trok lang van haar sigaret en lachte hees. Ik zag hoe de blauwe rook langs haar neus en lippen de oranje schijn in danste.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *