Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand VI

Over de gevaren der Aards bestaan

Deel 6: Nacht

Maandagen hebben een zwaar leven. Eindeloos wordt er over hen gezeurd. Geliefd zijn ze amper. Wat zeg ik, ze worden vaak gehaat. Ik vind dat onterecht. Ik heb met de stakkers te doen. Er is niets mis met maandagen. Kijk liever eens naar zondagen. Met hun verse tijgerpistolets en snorrende middagdutjes. Met hun uitgestorven straten en gesloten winkels met gesmoorde etalages. Het laat m’n tenen krullen. De dag van de Heer? Zondag rustdag? Ik denk er nog niet aan. Ik zal u vertellen hoe dat komt. Het is de opgelegde rust van zo’n sabbatdag die me onrustig maakt en de meest existentiële vragen bij me oproept. Het is nogal vervelend. Niet omdat ik zulke vragen wil vermijden maar omdat ik zelf wil kiezen wanneer ze door mijn knikker dollen. Een lome zondag moet mij dat niet gaan verplichten of het zal zijn beste dag niet zijn. Ik ben verdorie kapitein. Zondagen zijn bovendien gluiperige veinzers want ze besmeuren het imago van broodnodige maandagen en dat is bijzonder jammer. ‘Kijk naar mij, ik ben het einde van het weekend. Dit is je laatste dag, morgen begin je er weer aan dus geniet van me. Het is maar best dat je mij ten volle benut want morgen heet Maandag en moet je weer presteren, dan heb je die soezende vrijheid niet.’ Daarom dacht ik: Schrappen die zondag. Gewoon korte metten mee maken. Maar laatst had ik het hierover met één van jullie landlopers en die zei me: ‘Ja maar, Kapitein, als we zondag schrappen, wordt zaterdag de nieuwe zondag enzoverder, enzovoorts.’ Nog voor de jongen goed en wel was uitgesproken, haakte ik m’n voet achter z’n enkel, bracht hem uit balans, trok zijn arm stijf naar achter en hield hem in een wurggreep. Ik krijste in zijn oorflappers waar hij het lef vandaan haalde om zulke verschrikkelijke dingen te beweren. Maar m’n geschreeuw sputterde. De woorden van de jongen schampte m’n eigen kabaal, wentelde m’n oren in, stuiterde tegen m’n brein en nestelde zich in het midden van m’n hart. Ik wist dat de korstkruiper gelijk had. Er zal altijd een zondag zijn en er is helemaal niets wat je daaraan kan doen of je nu kapitein bent of niet.

Er overviel me een zwaarmoedigheid. Ik loste de jongen. Hij spurtte bang weg zoals bedeesde, genezen hertjes die terug het bos in worden gelaten. Ik zag zo’n tafereel eens in één van jullie tv-programma’s. Een overstekend hertje wordt aangereden met als gevolg een gebroken poot. Dan herstelt het in een dierenopvangcentrum onder het toeziend oog van een bezielde verzorger. Het contact tussen de twee wordt echter beperkt want het bosspringertje mag de Mens niet te gewoon worden uit vrees voor jagers en stropers. De verzorger bewondert daarom het wezen vooral van achter de omheining. En als het dier terug aan voldoende kracht heeft gewonnen wordt het aan de rand van het woud vrijgelaten. Op het moment dat het luik van de kooi wordt opengetrokken sprint het dier de vrijheid in zonder ook maar één keer om te kijken. Op de onderste oogleden van de verzorger twijfelt een traan en hij stelt met zachte glimlach dat dit het mooiste deel van zijn job is.  Ik geloof hem dan niet. Dat moet toch op je hart trappen dat de snoezige viervoeter zomaar verdwijnt zonder je één keer blijk van dank te geven voor bewezen diensten? Ondanks alle redelijkheid in de wereld kan het toch niet anders dat de verzorger stiekem even hoopte op dat magische, filmische afscheid tussen Mens en Dier? Dat de tweehoevige schattigaard nog één keer zijn blik zou vinden, zou wachten, dat ze elkaar zonder taal zouden begrijpen om dan voorgoed te verdwijnen, het hertje tussen het loof en de verdwaasde, eenzame verzorger in zijn ronkende jeep terug naar de stad.

Maar in mijn geval was ik blij dat de jongen zich snel uit de voeten maakte. Hij riep nog ‘gevaarlijke gek!’ naar me en dat valt bezwaarlijk een magisch of vertederend moment te noemen. Dit voorval gebeurde op een dinsdag. De vijf dagen daarna stuitte ik nog op een paar vermeende gevaren van jullie Aards bestaan. Die heb ik keurig in m’n logboek genoteerd. Ook heb ik nog heel wat visitekaartjes onder jullie landlopers verdeeld. Op die visitekaartjes staat wie ik ben en waarom ik hier ben:

Kapitein Wolventand: kapitein van schip De Schepper.

Missie: Actuele aardse gevaren in kaart brengen ten voordele van de landlopers alias aardwandelaars alias korstkruipers alias grondschrijders in opdracht van Parallax (magazine voor politiek, kunst en wetenschap)

De dag erop was het zoals altijd zondag. Op die dag is het mij overkomen. Het was ochtend en ik rook het. De lente. De zon had aan kracht gewonnen en ontdooide de bevroren aarde. Het land geurde. De meesten van jullie landlopers worden daar vrolijk van. Of dat ook voor mij geldt weet ik niet. Ik had geen tijd om erover na te denken. De geur joeg zich een weg door m’n neus, doorprikte m’n frontale hersenkwab en de vraag of ik me wel voldoende smijt in jullie Aardse bestaan ten behoefte van queeste drong zich weer aan me op. De hevigheid waarmee ze dat deed was ongezien. Ze gilde door m’n kapiteinskop en besloeg als een koude damp de rug van m’n ogen. Het was de eerste keer dat ik de geur van de lente rook en het leek alsof de Aarde me in hoogsteigen persoon aansprak en me indringend de bewuste vraag stelde.

Ik grabbelde in m’n linkerzak naar m’n visitekaartjes en las m’n missie een paar keer luidop. Daarna keek ik naar m’n voeten en het grillige voetpad waarop ze rustten. Ik keek naar de donkere etalages van de winkels. Naar de voorbijgangers. Er passeerde een koppel met een buggy waarin een dommelende ukkepuk op zijn tutter lag te sabbelen. Ik zag een roodharige man die zijn fiets vastmaakte aan een paal. Zijn gsm tussen oor en schouder geklemd en hij sprak luidkeels tegen de persoon aan de andere kant van de lijn. Een bejaard vrouwtje propte twee zakken met brood in haar trolley. Een stel duiven zat elkaar te knuffelen op een dakgoot. Ik keek opnieuw naar de grillige stoep en in mijn verbeelding vormde de stenen zich tot het dek van m’n schip waar verdwaald zeewater weifelend, op het ritme van de golven, naar alle richtingen glijdt.

Ik heb de trein genomen. Naar de kust. Op het strand deed ik m’n lompe schoenen uit en mankte naar de krullende golven. Het koude zand schuurde langs m’n tenen. De lucht was grijs, zo ook de zee. Ik naderde het water. Op het natte zand lagen enkele doorschijnende kwallen met de ijdele hoop terug de zee in te worden gesleurd. De sissende vloed spoelde de zandkristallen op m’n voeten weg. Ik werd gebombardeerd door glasheldere herinneringen aan m’n avonturen op m’n geliefde wateren. Jullie grondschrijders mopperen weleens dat de zee één van de meest misbruikte en platgeschreven metaforen is. Dat zou best kunnen. Maar daar en toen, op die zondag, was het gewoon de zee. Mijn zee. En ook die van jullie. En ze was koud. IJskoud. Haar temperatuur sneed in m’n kloverige voeten maar ik smulde ervan. Een zwerm irritante meeuwen krijste boven m’n kapiteinshoofd. Terwijl de herinneringen door m’n hoofd gonsden, groef ik een gat met m’n linker grote teen in het vochtige zand. Vanuit de bodem broebelde slijkwater zich een weg naar boven. ‘Ik ben in feite enkel en alleen maar kapitein op m’n schip’, mompelde ik.

Ik nam m’n visitekaartjes uit m’n linkerzak. Ik tuurde er even naar. ‘Kapitein Wolventand’, las ik fezelend. De vervelende meeuwen cirkelden nog steeds boven m’n hoofd en zetten hun kabaal extra kracht bij. ‘Het is allang goed!’, bulderde ik en ik griste m’n kippenworst, m’n favoriete snack, uit m’n rechterzak en smeet het ver over de golven met de poëtische woorden ‘Naar de duivel met jullie! Onhebbelijk gevogelte!’ De gevederde maniakken doken met z’n allen het water in. Slechts ééntje wist de buit te bemachtigen en die was niet van plan om te delen. Ik gaf hem een kort applaus in stilte.

Ik staarde terug naar m’n visitekaartjes. Het was een dik pak. Je kan er niet genoeg hebben, had ik indertijd gedacht. Met een korte ruk scheurde ik het woord kapitein van een kaartje. Daarna volgden alle andere kaartjes. Toen ik ze terug in m’n zak stak, voelde ik er nog ééntje zitten. Ongeschonden. Ik heb hem daar, hoewel in het donker, veilig en warm met rust gelaten. De zon ging onder. Niet dat ik daar iets van kon zien. De lucht was immers nog steeds grijs. Mistig zelfs. Maar het begon te schemeren. Jullie korstkruipers mopperen weleens dat een zonsondergang één van de meest misbruikte, platgeschreven en sentimentele metaforen is. Dat zou best kunnen. Daar en toen was het gewoon de zinkende zon die ik niet kon zien.

Vanachter me klonk een stem. Een jogger was me genaderd. Aan zijn linkerarm droeg hij een flikkerend, fluorescerend bandje. Zodat hij zichtbaar was voor het verkeer. Hoewel je het strand bezwaarlijk verkeersdruk kan noemen. De enige vorm van bedrijvigheid waren waarschijnlijk de talloze, flepse kwallen die stemloos voor hun leven vochten. In de verte kon ik door de laatste schemer nog twee ruiters op hun paarden zien. ‘Ook van het zeetje aan het genieten, meneer?’ vroeg de jogger puffend met roze wangen. Ik antwoordde hem dat meneer niet hoefde, dat hij gewoon Wolventand mocht zeggen. ‘Wolventand?’ grinnikte de jogger, ‘gewoon Wolventand? Wat is dat voor een vreemde naam?’ Ik bracht mijn gezicht vlak bij het zijne.  Ik gromde en toonde m’n kleine, puntige tanden. ‘Er is helemaal niets vreemd aan die naam’, beet ik hem toe. De vloed stroomde over mijn voeten en doordrenkte zijn loopschoenen. Beteuterd jogde hij verder. Eén keer keek hij om. Mijn blik bleef hem volgen. In het laatste licht ontwaarde ik hoe de zwerm meeuwen hem achternavloog. Ik hoorde de jogger vloeken dus kon het niet anders dat de gevleugelde gekken hem met hun grijs gevoeg hadden belaagd. Ik gaf hen een goedkeurend applaus in stilte. Het enige dat ik uiteindelijk nog van de jogger kon zien was zijn flikkerend bandje. Het was pikkedonker geworden.

Ik keerde me terug naar de inktzwarte zee. Ik hoorde haar. Voelde haar aan m’n verkleumde voeten. De wind streelde m’n gezicht met spatjes zeewater. Ik tuurde naar de hemel. Jullie landlopers zeggen weleens dat de oneindigheid der sterren één van de meest misbruikte en platgeschreven metaforen is. Zou best kunnen. Daar en toen fonkelde er geen enkele. Zelfs de meest heldere niet. Ik heb er nog lang gestaan die zondag. Ik begon me onnoemelijk te vervelen.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *