Ode aan “the most dangerous Negro in America”

 

Where Do We Go From Here?
16 augustus 1967

Het is vandaag exact vijftig jaar geleden dat Martin Luther King werd neergeschoten. Martelaren zijn onsterfelijk, zouden de Koerden uitroepen. Maar wat van hem blijft ons bespoken? Na zijn dood werd King’s legacy gesteriliseerd, om hem de liberale boodschap van tolerantie en identiteitspolitiek te doen spreken, maar zo gemakkelijk geraken we niet van hem af.

“I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin, but by the content of their character.” King eist geen tolerantie, noch om niet te oordelen, want dat doe je ook niet met een vriend of gelijke. Wat hij wel eist, is dat de huidskleur van zijn kinderen geen categorie van waarheid is, maar dat men oordeelt op wat ze doen en wat ze zeggen. Dat veronderstelt een gemeenschappelijk maatschappelijk debat of project dat voorbij gaat aan identiteiten, nationaliteiten of rassen. Zijn punt is niet dat uiterlijke kenmerken niet bestaan, wel dat ze niet essentieel kunnen worden. En daar zijn we niet. Hoe denkt hij dat te realiseren? Zijn ‘I Have a Dream’-speech in 1963, weerklonk niet op een ‘March against Racism’, maar op de ‘March for Freedom and Jobs’… voor iedereen.

“Waarom worden zij geholpen terwijl wij onze jobs verliezen, terwijl ons pensioen en onze sociale zekerheid wordt afpakt?” Lagere klassen tegen elkaar opzetten in twee kampen door louter uiterlijk verschil is de ultieme strategie om de bestaande socio-economische machtsrelaties te behouden in tijden van economische uitputting. Racisme is een eindproduct van liberale politiek. Het put zijn kracht uit verergerende klassentegenstellingen. De enige relevante gemeenschappelijke strijd tegen racisme, echter, is de strijd die niet de uitingen maar de oorzaak van deze separatienood opheft. Dit is de boodschap van Martin Luther King.

Ook hij werd, net zoals mei 68, achteraf geliberaliseerd, “gentrified”. Het is hoog tijd om opnieuw deze kracht als zijn drijfveer te zien. Dit is een veel doeltreffender anti-racisme dan wat we de laatste jaren kennen. “You can’t talk about ending slums, without first saying profit must be taken out of slums”, “In a sense, you could say we’re involved in the class struggle.” Klassenstrijd is niet slechts een van de zovele emancipatiestrijden, het is de strijd die alles verbindt. Dit is wat primordiaal verdrongen is in het liberale respect en de identiteitspolitiek na mei 68. Op deze wonde legt nieuw rechts nu de vinger. En de gewone blanke man dan? Die kan natuurlijk niet emanciperen. Alsof kapitalisme plots niet meer bestond. Wat dus verdrongen is, is de mogelijkheid van economische emancipatie. Deze mogelijkheid ontplofte in mei 68, een maand na de moord op King, wat dus achteraf ontmijnd moest worden. Het idee dat de wereld onbegrijpelijk complex in elkaar zit, dat er oneindig veel perspectieven zijn en dat iedereen zijn eigen identiteit vrij mag kunnen construeren, is een effect van deze verdoezeling. Want dit relativiteitsperspectief geldt stiekem als het universele ideologische perspectief, opnieuw een Westers-elitair perspectief met zijn eigen programma. Het dient slechts om het universele van wat elke strijd verbindt te verdoezelen. Niet enkel klassenemancipatie wordt zo onmogelijk, maar werkelijk anti-racisme eveneens. Dit wordt stukje bij beetje duidelijker vandaag met de opkomst van rechts en racisme. Het liberale anti-racisme heeft gefaald. Het was ook nooit de bedoeling om echt de zaken te veranderen, buiten de massale precarisering en publieke onteigening die dit progressivisme met wrang sausje mogelijk maakte. Daarom hebben we Martin Luther King vandaag nodig.

Toen King werd neergeschoten op 4 april 1968, had hij een heel perspectief klaar voor de herstructurering van de samenleving die hij gepland had af te dwingen bij de overheid, “the Poor People’s Campaign” genaamd, waarvoor de FBI hem tegen alle prijs wilden blokkeren en hem “the most dangerous Negro in America” noemde.

De ongecensureerde speech hierboven, “Where do we go from here?”, stamt uit enkele maanden voor hij werd neergeschoten. Het is natuurlijk een zinspeling op Lenin’s befaamde prerevolutionaire tekst “Wat te doen?” En nog voor wie het niet graag hoort, King’s christelijke overtuiging was geen opium, nog een onbeduidende houvast, hij putte zijn kracht eruit. De nadruk ligt zowel op een in eerste instantie vreemde dialectiek tussen christelijke liefde en macht, als het vermogen om een doel te bereiken:

“The problem of transforming the ghetto, therefore, is a problem of power-confrontation of the forces of power demanding change and the forces of power dedicated to the preserving of the status quo. Now power properly understood is nothing but the ability to achieve purpose. It is the strength required to bring about social, political and economic change. Walter Reuther defined power one day. He said, “Power is the ability of a labor union like the U.A.W. to make the most powerful corporation in the world, General Motors, say ‘Yes’ when it wants to say ‘No.’ That’s power.

Now a lot of us are preachers, and all of us have our moral convictions and concerns, and so often have problems with power. There is nothing wrong with power if power is used correctly. You see, what happened is that some of our philosophers got off base. And one of the great problems of history is that the concepts of love and power have usually been contrasted as opposites – polar opposites so that love is identified with a resignation of power, and power with a denial of love.

It was this misinterpretation that caused Nietzsche, who was a philosopher of the will to power, to reject the Christian concept of love. It was this same misinterpretation which induced Christian theologians to reject the Nietzschean philosophy of the will to power in the name of the Christian idea of love. Now, we’ve got to get this thing right. What is needed is a realization that power without love is reckless and abusive, and love without power is sentimental and anemic.”

Liefde die niet kitsch is, assumeert strijd en de Nietzscheaanse wil voor macht. Dit is de vreemde kern van de christelijke liefde volgens King. Het is geen liefde die van de zijlijn de zaken beschouwt en goed- of afkeurt. Het gaat lijnrecht in tegen moralisme, zoals Christus uit kwaadheid de tempel afbrak waar superieure godgeleerden de moraal spelden terwijl ze hun eigen corruptie goedpraatten door hun verkregen positie. Zoals Paulus liefde boven de wet stelde, verbreekt Christus de (arbitraire) wet uit liefde, uit rechtvaardigheid. En hier komen we een vreemde ontmoeting tegen tussen communisme en christendom, tussen Hegel en Marx, tussen Lenin en King. Zoals King Nietsche verwijt christelijke liefde te ontkennen en er stiekem op te steunen, en christelijke theologen verwijt Nietzsche te verwerpen terwijl de basis van christelijke liefde eruit te leren valt, zo kunnen we eveneens iets aan King tegenwerpen. Steeds hebben Marx, Lenin, Trotsky, etc. theologie afgewimpeld als ideologische pleisters op een open materialistische wonde, maar impliciet was Marx’ theorie gebaseerd op Hegel, en op Feuerbach’s materialistische lezing van het christendom. Lenin viel terug op Hegel en Trotsky vond het spiegelbeeld van de determinatie van zijn partij terug in het protestantisme. Hierop zegt Martin Luther King in dezelfde speech:

Now, don’t think you have me in a bind today. I’m not talking about communism. What I’m talking about is far beyond communism. My inspiration didn’t come from Karl Marx; my inspiration didn’t come from Engels; my inspiration didn’t come from Trotsky; my inspiration didn’t come from Lenin. Yes, I read Communist Manifesto and Das Kapital a long time ago, and I saw that maybe Marx didn’t follow Hegel enough. He took his dialectics, but he left out his idealism and his spiritualism. And he went over to a German philosopher by the name of Feuerbach, and took his materialism and made it into a system that he called “dialectical materialism.” I have to reject that.

King verwijt Marx materialistisch te zijn. Tegelijkertijd zien we hoe King zelf een materialistische lezing heeft over racisme en armoede, hoe ze niet op te lossen zijn op individueel niveau maar op het niveau van maatschappelijk materiële vormgeving. Anderzijds kunnen we niet anders dan toegeven dat de kracht van Martin Luther King zelf in zijn spiritualisme zit. Marx verweet het christendom ideologisch zand in de ogen van het proletariaat te strooien en aan de kant van het patronaat te staan. Maar is de verwerping van het christendom niet ergens ook weer om zijn eigen basis te verdoezelen? Namelijk, om te verstoppen dat de kern van communistische organisatie feitelijk een (materiële) uitwerking van het christendom zelf is? En omgekeerd, is King’s verdoezeling niet net van hetzelfde laken een broek? Deze vraag is niet om het christendom te verdedigen, maar net om het dialectisch materialisme uit te werken. Want als we deze vragen vermijden, botsen we er vroeg of laat toch terug op. Om op die vraag te kunnen verdergaan, hebben we dialectiek nodig. Dialectisch materialisme wil niet zeggen dat politieke acties moeten gegrond zijn in dode materie of objectieve historische wetten. Dialectisch materialisme moet kunnen verklaren hoe iets als de kracht van Martin Luther King mogelijk is, hoe zijn “geest” na zijn dood blijft verder leven. Het moet accepteren dat we nog steeds bespookt worden door King, door Lenin, door Jezus, dat er iets voor ons blijft verderleven na de lichamelijke dood en dat deze ondode kern ons niet gerust laat. Dit is waar identiteit stokt en ons confronteert met de afschuwelijke vrijheid die we hebben, want zij deden het onmogelijke, vanuit een heel eigen positie waarbij ze de woorden zoeken om eindelijk te kunnen zeggen in wat voor een onvrijheid we zitten, door de olifant in de kamer te benoemen. Dit begint met het niet accepteren van een voorgekauwde positie van gemakzucht en eindigheid. En dit is per definitie traumatisch, want dan kan je op niets of niemand meer steunen. Hierin verdergaan maakt van jou een vlek in de schijnbare harmonie van de samenleving. Dit maakt van jou een gevaar voor de heersende orde en dus maakt het je alleen. Dit is wat King bedoelt met: “I’m not talking about emotional bosh when I talk about love, I’m talking about a strong, demanding love”. Enkel in deze singuliere determinatie die noodzakelijkerwijs de eigen identiteit stukbreekt, komt een concreet universeel effect boven. Of in King’s woorden: “Let us be dissatisfied until that day when nobody will shout “White Power!” – when nobody will shout “Black Power!” – but everybody will talk about God’s power and human power.”

 

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *