Fragmenten uit het logboek van Wolventand VII

Raar sfeertje

Ik zal beginnen waar Deel 6 eindigde. Kwestie van het geheugen op te frissen. Dat lijkt me logisch. Op het einde van deel 6 zat ik in een onnoemelijke verveling. Op een strand aan zee. In het pikkedonker. Wie is ik? Wel, mezelve natuurlijk: Wolventand. Voorheen was het Kapitein Wolventand. Ik had een missie. Namelijk voor het Parallax-magazine de gevaren der Aards bestaan in kaart brengen. De échte gevaren. Want met alle onheilspellende nieuwsberichten vandaag is het moeilijk om te zien waar het echt fout gaat. Waarom nam ik deze taak op mijn schouders? Wel, mijn hele leven bracht ik door op zee. Ik kwam slechts af en toe aan land. Meestal om boodschappen te doen. Ik redeneerde dat mijn afstand tot jullie landgebeuren me een kritische, objectieve blik zou geven. Zodoende zou ik de betrouwbaarste bron zijn inzake het onthullen van de waarheid achter jullie verschillende landproblematieken. De criticaster bij uitstek. De criticus der critici. Uiteindelijk bleek dat idioterie van jewelste.

Waarom verloor ik de Kapitein in mijn naam? Aangezien ik nu op het land vertoef, ben ik niet echt kapitein. Dat ben ik enkel op mijn schip De Schepper. Momenteel is het dus gewoon Wolventand.

Ik weet niet wat er precies gebeurd is op het einde van Deel 6, daar op dat strand. Zoals ik reeds zei was het er pikkedonker. Zo donker dat wanneer ik mijn ogen sloot en terug opende, ik twijfelde of ik ze eigenlijk wel had geopend. Zo zat ik daar een tijdje: Ik sloot mijn ogen een poosje, daarna opende ik ze weer en herhaalde deze beweging. Traag.

Aanvankelijk kon ik het sissen van de golven horen. Daarna kalmeerde het tij en uiteindelijk klonk er niets meer. Ik weet niet meer wat ik op dat moment aan het denken was. Ik zat daar gewoon, als een halve gare in stilte, langzaam m’n ogen te sluiten om ze te openen.

Toen ik voor de zoveelste keer mijn ogen opende, werd ik plots verblind door een priemend licht. Ik jankte. Het schijnsel bonkte op m’n netvliezen. M’n oogbollen draaiden dol. Ik knipperde als een gek. Het duurde even voordat ik het licht kon verdragen. Ik kon het vochtige zand van het strand onder me zien. Voor me de zee. Onverstoord. Geen golven. Glad als een spiegel. De lucht boven me wit bewolkt. Aan de horizon echter een dik, grijs wolkenpak. Af en toe flitste er een paar geruisloze bliksems. Geen wind. Geen donder. Een raar sfeertje.

Ik was daar niet alleen, zo bleek. Verderop, roerloos in het ondiepe zeewater, stond een figuur. Zijn rug naar me toegekeerd. Hij droeg wat op een witte doktersjas leek en had een bos, wild, wit haar.

‘Eén plus één is niet langer twee’, begon het figuur, ‘Wat zeg ik, het is nooit twee geweest. Het was vanaf het begin drie. En die arme kinderen krijgen het verkeerd aangeleerd. Een regelrechte schande.’

Het was gek. Hoewel hij ver van me af stond, klonk zijn stem dichtbij. Alsof hij naast me zat. Ik wist niet goed of ik iets moest antwoorden. Ik wist in feite ook niet wàt ik moest antwoorden op zo’n uitspraak. Een uitspraak die toch wel flirtte met je reinste zotternij. Want iedereen weet dat 1+1 twee is. Dat is logisch. Maar eigenlijk heb ik het niet zo op de Logica. Ik besloot daarom mijn mond te houden.

‘Kapitein Wolventand’, ging hij verder. Op dat moment besloot ik mijn mond niet langer te houden:

‘Gewoon Wolventand, geen Kapitein.

Het figuur draaide zich zachtjes om. De beweging verstoorde het water. In de verte een paar felle bliksems. Er werden me twee zaken duidelijk. Ten eerste was het geen man die daar stond. Het was een vrouw. Met een rimpelig, vriendelijk gezicht. Ten tweede stond ze op één been in het water. Haar andere been had ze ingetrokken, zoals bij yoga, haar voet rustte zijdelings op haar knie. De vrouw mocht dan wel een sympathiek gelaat hebben, toch was ik niet helemaal op mijn gemak. Een raar sfeertje.

‘Wolventand’, vervolgde ze met haar zware stem, ‘Hoe gaat het met je?’

‘Kan u mij misschien vertellen waar ik ben?’

‘Dat is van geen enkel belang.’

‘Toch wel, er hangt hier namelijk een raar sfeertje.’

‘Is dat zo?’

‘Ik vind vanwel ja.’

De vrouw liet haar opgetrokken been zakken. Langzaam waadde ze door het water naar me toe. De rimpels op het verstoorde oppervlak staken scherp af. Ze benaderde me zonder haar blik af te wenden. Ze droeg nog steeds dezelfde glimlach. In mijn ongemakkelijkheid keek ik ongeveer ter hoogte van haar middel. Het begon lichtjes te regenen. Motregen. Ik vroeg me af waarom ze zo traag op me af sloop. Ze had normaal kunnen stappen. Op deze manier werd het nodeloos beklijvend. Ik weet niet of ik bang was. Ze kwam naast me staan. Haar huid was bruin en had iets leerachtig. Ze leek gespierd.

‘U gaat me niet vertellen waar ik ben?’, begon ik.

‘Hoe gaat het met je?’, ging ze verder.

‘Goed.’

‘Wat een saai antwoord.’

Ik had haar kunnen vertellen dat ik in onnoemelijke verveling was getuimeld. Toch deed ik dat niet. Ze kwam naast me zitten en grabbelde in haar jaszak. Er fladderden twee bruine motten uit. Dan haalde ze een scalpel boven en liet het rusten tussen duim en wijsvinger. Ik heb het niet op messen. Zeker niet op zo’n chirurgische messen. Ook niet op naalden. Eigenlijk op niets waar een ziekenhuislucht aan hangt.

‘1 + 1 = 3’, begon ze weer. Ze zei het met een pathetische zucht. Ze wreef over het scalpel en sneed zich. Druppels bloed zonken in het zand. In een reflex reikte ik naar haar hand. Maar er klonk geen auw. Wel keek ze ernaar. Er droop een traan over haar wang. Ze glimlachte nog steeds. Ik liet mijn hand zakken. Mijn ongemakkelijkheid nam toe. De motten dartelden nu wat verder boven het water.

‘Wie bent u eigenlijk?’, vroeg ik.

‘Kies maar’, antwoordde ze. De vrouw nam een pleister uit haar andere zak en plakte die op de wonde. Op haar vingers zag ik vele andere, oudere littekens. Ze toonden vaal wit.

‘Dan noem ik u de Zotte Mottenmadam, want bij mijn weten is 1+1 twee en ik weet niet of u het doorhad maar er vlogen twee motten uit uw jaszak.’

‘Ja er woont daar een koppeltje’, grinnikte ze.

‘Och?’, grinnikte ik terug en voor het eerst keken we elkaar aan. Van dichtbij. Dat had ik beter niet gedaan. Er gebeurde iets. Een stille bliksem in de verte leek in een milliseconde het donkerste van haar ogen te verlichten. Haar blik hield me vast en alle controle over m’n lichaam zonk weg. Enkel verlamming bleef. Ik viel plat op m’n rug. Mijn mond verslapte. Ik kon niets uitbrengen. Ze zette zich op haar knieën naast me. Langzaam ontknoopte ze mijn hemd. Ze zette het scalpel op mijn borstkas. Haar gezicht stond nog steeds vriendelijk.

Ik kon het niet goed zien. Ze sneed en groef. Lauw bloed droop langs m’n zij en naar m’n oksel. Maar ik gaf geen auw. Uiteindelijk haalde ze mijn hart boven. Het was een mooi hart. Of het een gezond hart was moet je mij niet vragen, ik ben geen dokter. Maar het was een mooi hart al zeg ik hetzelf. Geestig om naar te kijken. Belangrijker misschien is dat ik blijkbaar niet het loodje had gelegd dus begon ik mij vragen te stellen bij het belang van dat tikkend orgaan.

‘U heeft tsoevallig seen sototoestel bfij?’, vroeg ik met mijn slappe lippen.

‘Nee, waarom een fototoestel?’

‘Ik sou graag een sotootje willen fan m’n haft. Ik find se heel mooi.’

De zotte Mottenmadam bestudeerde m’n rikketik. ‘Dit is inderdaad een prima hart.’

‘Niet “pfima”, mooi.’

‘Joa.’

‘Nee, nee nietf “Joa”, maaf “Ja, dit isf een mooi haft.’ Ik probeerde haar streng aan te kijken maar er was slechts één wenkbrauw die gehoorzaamde. De andere haperde en trok scheef de andere kant op. Mijn spreken was voor mijn lippen teveel. Een streep warme kwijl droop over m’n wang.

Ik zag hoe de twee motten zachtjes op mijn hart landden. Hun dikke harige voelsprieten trilden snel. Ze piepten. Hun matte, kleurloze vleugels, bewogen traag na.

Dan stegen ze weer op. De vrouw zette het hart terug. Keurig naaide ze mijn borstkas dicht en veegde haar bloederige hand schoon aan haar witte jas. De twee motten dansten nu boven m’n lamme gezicht. Eéntje botste tegen m’n neus waardoor ik hevig moest niezen en m’n slappe lijf kort opsteeg, om een tiental centimeter verder neer te ploffen. Daarna fladderden de motten terug in de jaszak. De Mottenmadam draaide zich om. Tot mijn verbazing vertrok ze zonder iets te zeggen. Ik vroeg waar ze heen ging maar ze antwoordde niet. Slissend riep ik haar nog na. Ze keek niet om.

‘1+1=3’ , hoorde ik haar voor de laatste keer fezelen.

Ik lag daar dan als een halve gare. Wachtend tot ik me weer kon verroeren. Als een kwal, en opnieuw in verveling nota bene. Een oersaaie ervaring, jazeker, misschien is ervaring zelfs een overdrijving.

En dan plots hoorde ik iets achter me naderen. Ik spitste m’n oorflappers.
Iets op vier poten. Iets dat twijfelde. Op een drafje met af en toe een korte stilstand. Steeds dichter kwam het. Uiteindelijk de natte snuit van een hond tegen m’n kruin.

‘Dag bfazeke’, zei ik.

Het dier liep een toertje rond mijn lichaam. Ik schrok. Het was geen hond maar een wolf. Hij zette één poot op m’n buik en rook aan de draadjes ter hoogte van m’n tikker. Hij zette zich en huilde zoals wolven doen. Zijn geluid sneed.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *