FRAGMENTEN UIT HET LOGBOEK VAN WOLVENTAND VIII

Deel 8 Gnomen est omen

De zomer heeft, zoals dat elk jaar gaat, een poosje geleden weer met veel aanstellerij de deur achter zich dicht gesmeten. Laat ons eerlijk zijn: Dat werd hoog tijd. Maar versta me niet verkeerd. Zo’n indiaans nazomertje is best prettig en welgekomen. Er zijn echter grenzen. Haar uittrede was wispelturig en op den duur werd dat vermoeiend, ja, zelfs vervelend. Ik was daarom blij haar opvolger, die goeie ouwe Opa Herfst, te mogen ontvangen. Maar ook hij hoest, zoals de kosmos dat beveelt, stilaan zijn laatste, frisse adem. Het zal niet lang meer duren alvorens gure Koning Winter, gehuld in mistmantel en riekend naar schoorsteen en gestoofde witloof, met veel bravoure zijn intrede doet. En dat is misschien wel een goede zaak.

Want ik, Wolventand, heb zo’n licht vermoeden dat we in de winter allemaal wat bescheidener worden. Behalve dan van die fanatieke luitjes die rond Kerstmis hun huis tot een lichtspektakel garneren waar wijlen de vuurtoren van Alexandrië uit trotsheid onophoudelijk van zou beginnen snotteren. Maar ach, wie doen ze daar nu eigenlijk kwaad mee? Misschien een paar automobilisten die afgeleid worden en zo de berm in knallen? Dat is een sterk argument.  Maar een automobilist heeft ervoor gekozen om met de auto te rijden, daarom heet ie dan ook automobilist. Misschien dat dit nieuws inslaat als een bom maar probeer er nog even bij te blijven. De redenering gaat verder.

Een automobilist weet wat de risico’s zijn. Je kan jezelf immers ook op een andere manier door het land begeven. Wat is er mis met een fiets bijvoorbeeld? Of voel je je te goed voor het openbaar vervoer misschien? En die tweeling daar beneden? Je weet wel, je eigenste voeten, die elke dag voor je paraat staan? Leg die misschien eens in de watten, ze verdienen het.

Ik, bijvoorbeeld, hecht veel belang aan mijn voeten. Ze zijn best groot. Lang eigenlijk. Mooi zijn ze niet, wel het tegendeel, maar dat weerhoudt me niet om ze met liefde te overstelpen. Ook lelijke dingen kunnen immers mooi zijn en het wordt alleen maar beter als ze, afgezien van lelijkheid, nog een paar bijkomende mankementen hebben.

Zo ga ik bijvoorbeeld mankend door het leven, hoewel de verantwoordelijkheid daarvoor meer ligt bij mijn verstuikte heupen door een paar valpartijen uit een boom. Mijn teennagels zijn dan weer het hele jaar door tenenkrullend lang. Af en toe is er ook een zwart propje dat onder één van m’n nagels de perfecte plek voor een winterslaap lijkt te hebben gevonden. Van nature ben ik heel nieuwsgierig en daarom heb ik zo’n schaduwkeutel eens vanonder m’n teennagel gepeuterd. Waar bestond dit kleine, dreigende ding eigenlijk uit? Is het gewoon een souvenir sokkenpluis of is er meer aan de hand? Ik heb het toen van dichtbij bestudeerd maar mijn ogen hadden moeite iets te ontwaren. Het was mijn neus die bijgevolg het onderzoek overnam.

Deze inspectie kan ik tot op de dag van vandaag ten stelligste afraden. Als u zelf ook zo’n pluizig schaduwmonster onder één van uw, voor de rest uiterst keurige, teennagels heeft zitten, laat het met rust, kijk er eens naar, maar bespaar uw neus de ervaring. Dat is voor iedereen het beste.

Mijn buitengewone teennagelkwestie wijt ik aan mijn, voor de rest uitstekende, genen. Als ik bijvoorbeeld op dinsdag mijn teennagels knip staan ze er vrijdagochtend rond een uur of tien weer terug. Daar kan je je klok op zetten. Zoals onkruid koppig zijn weg vindt, zo ook mijn teennagels. Ik heb er mee leren leven. Trouwens het zou verkeerd zijn mijn grote voeten slechts als een mismaakte, tienkoppige teennageldraak te beschouwen. Ze houden me recht en laten me wandelen en daarvoor verdienen ze al een dikke pluim.

Laatst, tijdens één van m’n vele herfstwandelingen, kuierde ik zo door een bos. Af en toe stapte ik op gevallen takjes en hoorde ik gekrak. Het waren echter niet de vochtige twijgjes die knarsten, nee, het waren mijn voeten, meer bepaald m’n enkels, want waar ik ook ga, bij elke stap knakken ze zonder schroom met de volle klank zoals wanneer twee biljartballen tegen elkaar opknallen. Zoals u waarschijnlijk aanvoelt kan ik nog uren door palaveren over m’n twee trouwe duimlozen, maar dat zal voor een andere keer zijn. Er zijn, zoals reeds gezegd, grenzen.

Het was aangenaam daar in het woud. De lage zon kleurde alle boomkruinen goudbruin. Een koppel eekhoorns sprong luid ruziënd van tak naar tak. Een eenzame vliegenzwam trok er zich in zijn roerloosheid niks van aan. Wat zou hij ook? Met zo’n kort beschoren paddenstoelleven heb je geen tijd voor huishoudelijke geschillen en dat had de schimmel goed begrepen. Goedkeurend tikte ik hem op z’n rode kop met witte sproeten en in stilte niesde hij z’n sporen op de bruine bladeren waartussen hij stond te niksen. Het piepend gekibbel van het eekhoorn-echtpaar stierf weg en ik liet een wind. Iets waaraan menig wandelaar zich weleens schuldig maakt als hij alleen door een bos dwaalt. M’n wind was niet bijzonder luid van aard, al leek dat wel zo, daar tussen het ongemoeide, zwijgzame kreupelhout. Ik was toch wel gegeneerd. Een bonte specht leek de gênante situatie te willen verhelpen door het geluid van zijn getokkel het bos in te sturen.

De beboste sereniteit zou niet veel later terug verdampen, zo bleek. Uit mijn ooghoek zag ik plots, schichtig en snel, iets op me afkruipen. Ik schrok. Alvorens ik kon zien wat het was had ik het al een flinke trap verkocht. Het ding tuimelde krijsend door de lucht, kletste tegen een met mos bezaaide boomstam en viel met een plofje tenslotte op zijn buik in de vochtige, dode bladeren. Het was een kaboutertje… Door de val zat er een knik in zijn rode pinnenmuts. Hij lag met zijn gezicht in de bladeren en mompelde dingen die, aan zijn toon te horen, naar alle waarschijnlijkheid niet bepaald deugdzaam genoemd kunnen worden. Ik wandelde naar hem toe en tilde hem op aan zijn nekje. Met gebalde, kleine vuistjes en zijn oogjes verwoed dichtgeknepen piepte hij: ‘LUL! ROTVENT! SMEERLAP!’ en allerlei andere kleurrijke verwensingen. Zijn armpjes sloegen wild in het rond, zijn beentjes spartelden.

‘WAT DENKT MENEERTJE ERVAN OM EENS OP ZIJN TAAL TE LETTEN?!, bulderde ik terug. Mijn brullen had effect. Hij sperde zijn lichtblauwe oogjes open. Zijn baardje lag nog meer overhoop. Voor hem was mijn getier waarschijnlijk het equivalent van een zware storm geweest.

‘Waarom gaf je me nou die trap? Ben je gek ofzo?’, piepte hij. Ik hield hem nog steeds aan z’n nekje.

‘Je mag de mensen niet zo besluipen’, antwoordde ik streng, ‘Had iets gezegd. Ik reageerde zo omdat ik dacht dat ik in levensgevaar verkeerde. Ik reflecteerde.’

De kabouter fronste.

‘Dan reflecteert een mens’, ging ik verder, ‘ wat wil zeggen dat je dan je reflexen gebruikt. Het is een instinct. Zodat je je kan beschermen. Misschien was je wel een slang. Of een rat. Of een ander giftig beest.’

‘Zet me neer’, beval hij.

‘Zal ik je op die elfenbank zetten?’, zei ik geamuseerd en ik grinnikte maar blijkbaar was het cognitief vermogen der kabouters nog niet dermate geëvolueerd om mijn situationeel spitsvondige mop te verstaan. Hij bleef boos kijken. Zachtjes zette ik hem op een boomstronk neer. Hij stroopte zijn mouwen op en kruiste zijn koddige armpjes.

‘Nou, nou’, zei ik, ‘je kijkt me bijna dood. Wat is je naam kaboutertje? Ik ben Wolventand, aangenaam.’

‘Ten eerste ben ik geen kabouter’, begon de kabouter, ‘maar een boomtrol.’

‘En je naam?’

‘Bilballus Blaffetrut’, antwoordde hij meteen en haalde zijn neus op. Zijn armpjes nog steeds gekruist.

‘Die naam wil ik liever nooit meer horen’, zei ik geschokt en ik knipperde snel, ‘maar je bent dus geen kabouter.’

‘Een boomtrol zeg ik toch!’

‘Waarom lijk je dan als twee druppels water op een kabouter?’

Hij keek plots geschokt als was hij betrapt.

‘Shit, ohnee, ohnee shit shiiiiiiit!, piepte het wezentje en dikke tranen begonnen over zijn bebaarde wangetjes te rollen.

‘Ja nou kan ik het even goed zeggen want ik heb het eigenlijk al gezegd’, jankte hij. BYE BYE CARRIERE, BYE BYE PROMOTIE, BYE BYE GELUKKIG…’, hij haalde diep adem, ‘LEVEN!’

‘STOP NOU EENS MET ZEUREN EN VERTEL OP!’, blafte ik en opnieuw schudde mijn stem het ventje door elkaar.

‘Ik ben…ik ben undercover’, snikte hij, ‘Al jarenlang leef ik onder de kabouters. Om hen van binnenuit te saboteren. Dat is mijn opdracht. Kabouters zwaaien hier de plak, zie je, en dat moet gedaan zijn. Het bos is niet van hen alleen. Het zijn dictators, zeg ik je! En nu is het allemaal naar de vaantjes. Mijn masker. Doorprikt. Door jou. Oh Bilballus, jij oen, je stond zo ver, hoe kon je dit laten gebeuren!’

Opnieuw balde hij zijn vuistjes en sloeg waarop hij zat. Tranen zonken in zijn baardje dat er nu drassig en verwelkt bij lag.

‘Kom nou, ik zal niks zeggen’, zei ik troostend, ‘Ik ben zelfs nog geen kabouter tegengekomen. En als dat gebeurt, houd ik m’n mond. Ik beloof het. Je geheim is veilig bij me.’ Ik probeerde m’n stem zo zacht mogelijk te maken en het werkte. Het ventje keek op en wrong zijn doorweekte baardje uit.

‘Meen je dat?’

‘Jabbedabbedoe, mondjes toe’, fluisterde ik en ik glimlachte.

‘U bent een lieve mensaap, piepte hij, ‘excuses ik liet me even gaan. Er ligt ook zoveel druk op me, weet je. De rest van de boomtrollen verwachten zoveel van me. En m’n lieve vrouw, Bilballa,  m’n kinderen, ik heb ze al zo lang niet gezien! Ik liet me gaan, excuses, excuses!’

‘Dat overkomt de besten’, antwoordde ik statig. Het mannetje kalmeerde en vond zijn pieterige adem terug.

‘En u, Wolventand, wat brengt u hier?’

‘Wel, we lijken een beetje op elkaar. Ik heb heel m’n leven op zee geleefd. Maar nu heb ik een missie. De gevaren van het aards bestaan in kaart brengen. Dus kwam ik aan land. Om me onder de grondschrijders te begeven. Wel niet undercover en ook niet om ze te saboteren. Maar om te onderzoeken waar het nu echt allemaal verkeerd gaat.’

‘En lukt dat een beetje?’, vroeg hij.

Ik snoof. ‘Ik ga eens verder wandelen’.

Het was even stil.

‘Ik ook’. Hij sprong van de stronk en kwam voor me staan.

Ik liet m’n hoofd zakken en keek hem aan.

Welke kant moet ik op?’, vroeg ik.

‘Hangt ervan af waar je heen wil.’

‘Gewoon een richting graag.’

‘Euh, die kant op?’ Hij wees met zijn pietepeuterig vingertje.

‘Ja, lijkt me een goede kant. Bon, tot de volge….’

Maar Bilballus leek al verdwenen.

‘Bilballus?’

‘Ja?’

Ik keek naar de grond om me heen. Draaide me richting zijn nietig stemmetje. Ik zag hem niet. Ik zette een pas naar achter en toen hoorde ik gekrak. Er kroop een koude rilling over m’n rug en ik bleef roerloos staan. Ook deze keer was het gekrak niet van takjes of twijgjes gekomen. Maar ook niet van m’n voeten. Ik bleef een poosje vooruit staren. M’n hart viel in duizend stukken. Ik hief m’n voet op en keek naar het gebroken lijfje van het boomtrolletje waar ik zonet een kort gesprek mee had gevoerd waarin er was gehuild, gevloekt, getierd, gefluisterd en geglimlacht. Zijn armpjes lagen verwrongen. Straaltjes bloed liepen uit zijn grote oren en neus. In de kleine, priemende, blauwe oogjes zat niks meer. De vliegenzwam wat verderop kon het allemaal niks schelen.  Maar ik schaamde me kapot. Bijna zo kapot als het rompje dat voor me lag. Een akelige stilte zwelde aan. De bonte specht probeerde deze te verhelpen door opnieuw als een gek op een boom te beginnen hameren. Ik probeerde te achterhalen waar de vogel zat. Traag keek ik rond. Toen zag ik hem zitten. Zijn blik vond de mijne. Hij staakte zijn tokkelen.

‘Jabbedabbedoe mondjes toe’, zei ik hem verdoofd en monotoon. Terwijl ik hem bleef aanstaren legde ik m’n wijsvinger traag op m’n mond. Na drie, lange seconden, liet ik zijn blik los. Hij vloog op, weg tussen de bomen.

Ik nam het geknakte lijfje van de kleine spion in mijn handen. Ik keek er even naar. Dan smeet ik het in de bosjes en hervatte m’n wandeling met een licht zeurende koppijn waarvan ik wist dat ze eeuwig zou duren.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *