De missing link tussen lichaam en geest? De sigaret!

Waarom is het zo moeilijk om te stoppen met roken? Iedereen die rookt (of koffie nodig heeft, aan een glas wijn begint of niet van de chocolade kan blijven) weet dat er iets glibberig zit in deze vraag. Ondanks de waarschuwingen blijft de sigaret een van de bloeddorstigste krijgsheren die jaarlijks om en bij de 15.000 belgen van de kaart veegt. En toch blijven burgers zich vrijwillig als kanonnenvlees aanbieden.

Het is niet hun fout, stelt Filip Lardon, it’s biology, stupid. Zoals vaak, geeft ook Filip Lardon het antwoord in iets dat goochelt met neurotransmitters en gelukshormonen, en de val waarin ze ons lokken1. Het valt niet te ontkennen dat de sigaret het lichaam ‘prikkelt’, toch vraagt zo’n antwoord, zoals de sigaret, naar net dat iets meer, alsof er nog een ingrediënt mist. Lardon zegt het eigenlijk zelf, want hij wijst op het feit dat een sigaret eigenlijk maar een beperkt en tijdelijk goed gevoel geeft. Beperkt en tijdelijk. Waarom zou zoiets futiel zich kunnen ontpoppen tot ware moordenaar? Wat is de fenomenologie van de sigaret?

Wat men er ook van zegt, de eerste keer een sigaret, een koffietje of een chocolaatje in je mond duwen doe je (min of meer) bewust. Vooraleer de biologie zijn werk doet, moet het dus nog in je lichaam geraken. Je anticipeert op iets, de moment van waarheid, op dat vreemde dat het verschil zou maken met daarvoor. Je werd verleid, omdat je het woord zelf, ‘koffie’, ‘sigaret’ of aanverwante, reeds smalend uit andermans mond hebt horen vallen, terwijl je zelf zelfs niet weet hoe erover de fantaseren. Het is dus in eerste plaats de kracht van een Idee, niet iets impotents en flauws, maar net dat vreemde onbekende waar anderen het over hebben, met oneindige verleidingskracht. Het woord klonk als een klokslag uit de tuin van Eden, als klein plezier, ultiem gevaar of verbod (eventueel met de oogluikend goedkeurende knipoog). In eerste plaats lijkt de moordenaar zichzelf dus reeds meer dan honderd jaar lang voort te planten langs de tongen die de sigaret geen onverschilligheid gegund zijn. En zo wist de sigaret zichzelf onsterfelijk te maken.

Het is een publiek geheim dat ‘de eerste keer’ teleurstelt. Alsof het al niet genoeg is dat het ronduit vies smaakt, komt er nog een hoestbui bovenop die qua tijd en intensiteit zelfs het bijhorend ritueel hoongelach van de omstaande ervaren rokers overtreft. Blijft het hoongelach achterwege, dan verzekert een paternalistische schouderklop je wel van toekomstig succes, waarmee de ervaren omstander zichzelf onbewust, maar niet zonder trots als voorbeeld meegeeft. De ergste soort is de wijze die, alsof hij zijn kunde nog eens moest paraderen, ‘och, begin er niet mee’ met een rookpluim in je gezicht blaast.

De eerste keer lost de verwachtingen niet in waar je zo op anticipeerde. Het was teveel of te weinig, maar niet erop. Dit kon het toch niet zijn? Wat is de echte rokers ervaring? Waarover hebben anderen het dan? Deed ik het niet goed misschien?  Die ‘Ene’ waartoe je verleid werd, bleek dan toch niet gewoon de eerste te zijn. Hier komen we tot de eerste wiskundige formule van het roken. Het verschil tussen de Ene die me beloofd was en het teveel of te weinig van de eerste sigaret is gelijk aan de energie die zich uitwerkt in de eindeloze en wanhopige pogingen om dit verschil te herstellen. Dit is een fase waarin je denkt het Ene te vinden in een ander soort sigaret, misschien roltabak, misschien wel met een smaakje, of sigaren of pijp, of moet ik anders inhaleren? Als je deze periode met andere beginners deelt, zullen er ellenlange conversaties ontstaan over betere en slechtere merken, of over commentaar op de manier waarop je rookt. Dit verschil zorgt voor frustratie, verwarring en geveins. Je anticipeert nog steeds op het Ene, en denkt het af en toe te hebben gevonden, maar dan is het weer weg. Maar voor je het weet, verandert er iets fundamenteel.

Op een bepaald moment maakt deze oneindige zoektocht plaats voor geheel het omgekeerde. Het Ene lijkt iets wat je ooit lijkt te hebben gehad en dat je terug zoekt, terug exact hetzelfde. Een herhalingsdwang overvalt je om alles perfect weer hetzelfde te kunnen hebben als die mysterieuze perfecte puzzel, dezelfde handelingen, de bijhorende duizeligheid, hetzelfde merk, hetzelfde moment, dezelfde manier van roken. Niets nieuws dus. Roken wordt meer en meer een opdringend ritueel dat zijn uitwerking maar heeft in wat al die welbepaalde handelingen en futiliteiten samenhoudt. Je rookt niet wanneer je zin hebt, maar wanneer het het vaste moment is, na het eten, bij de koffie, door fear of missing out. Zoals dat soort mensen dat telkens weer naar dezelfde plaats op vakantie gaat, om telkens weer in hetzelfde restaurant dat ene gerecht te willen eten. Of kerstfeestjes die steeds steeds worden vergeleken met die ene memorabele moment. ‘Je moest er bij zijn geweest’. Elke afwijking wordt de zondebok van de mislukking. En oh wee, als je rookhand in het gips zit, of je bij noodzaak een ander merk moet roken. Volgens de breinexperts gaat het om de nicotine, maar waarom schakelen we dan niet zomaar massaal over naar een elektrische sigaret?

En toch. De sigaret toont zijn almacht wanneer je dacht alles perfect te hebben. Dit was het toch niet? Het smaakte me niet? Misschien nog een? Misschien met een koffietje? Wat gebeurt er? Dit Ene is ook nu onvindbaar. Het glipt uit je handen als een half gesmolten Calippo waar je heel de dag naar uitkeek. Telkens weer mislukt het en zoek je uitvluchten. Net iets meer peper, net iets minder zout. Het dringt zich op en gaat zijn eigen leven leiden. Nooit valt het op de juiste plaats, het is steeds te veel of te weinig en dit wordt de motor van herhaling. Dit is wat Freud doodsdrift noemt. Doodsdrift is niet het tegengestelde van leven. Het is de kern van leven, wat het voortduwt zonder met biologische limieten rekening te houden. Het heeft je in zijn macht. Je lijdt eronder en toch hou je ervan als de meest intieme partner. Want je kijkt er naar uit, omdat je telkens weer denkt: wat was het ook alweer dat ik mis? En inderdaad, elke ervaring zal je merken wat er mist, omdat er iets mist. Op zijn minst weet je dan wat je wil, maar niet hebt. Eigenlijk ervaar je wat je niet wilt. Dat is al beter dan iets ongedefinieerd te willen, maar niet weten waar naartoe.

Want dat overvalt je als stopt. Je hebt nog steeds diezelfde anticipatie, je voelt een gevoel opkomen, dat je niet meer kan stoppen. Je merkt dat heel dit ritueel orde bracht in je dagen. Je kon telkens weer zeggen: nog een uurtje, dan pauze. Heel dat uurtje werd gerustgesteld met de blijde verwachting dat er een moment komt waarop de verwachting (niet) wordt ingelost. Hoe futiel het ook is. Wanneer dat moment er niet komt, dreigt het ergste. Niet omdat er iets mist, maar net omdat je niets mist. Je probeert alles, eten, zingen, de muren oplopen, maar niets is dàt net, dat vreemde andere waar je heel die constructie van jezelf in terugvindt. En dat blijft je je leven lang bespoken, zoals tijdens de periode voor het roken, maar dan nu met het idee dat je het wel hebt gekend. En probeer dan maar te leven met het idee dat het slechts zoiets stom is als een sigaret dat je nu of straks kunt opsteken. De grootste kans van slagen steekt in het genot van het af te wijzen. Nooit meer, geen één. Het genot van het inhouden. ‘Ik ben al x aantal tijd gestopt’. Maar ook dan heeft het inhouden maar zijn houdbaarheid door zijn verwijzing naar de sigaret. De sigaret is immuun tegen uitgommen. Het spookbeeld blijft.

Dus moet je dat ook blijven onderhouden. Want het genot van onthouding werkt maar voor zover dat wat je afwijst wel degelijk iets concreets is, en niet zomaar een abstract idee. Eentje dan, ‘om nog eens te weten hoe het is’, jouw merk. En het smaakt je niet, eEn dat stelt je teleur. Vies, en draaien, dat was het niet. Wat was het ook alweer? Misschien nog eens proberen. Je hebt het nu toch al verpest, want stoppen is absoluut, zonder uitzondering. Nu je de regel hebt overschreden kan je er evengoed nog eentje roken.

De sigaret qua parasiet is noch iets louter cultureel, noch iets louter biofysisch. Het biofysische element speelt zijn rol, maar is niet eenduidig ‘plezierig’, wel eerder net te veel of net te weinig plezierig, teveel van niet genoeg. Het effect van een sigaret heeft maar weinig consistentie en voorspelbaarheid op zuiver lichamelijk vlak. De Ene sigaret, qua woord, wel, al bleek het qua idee zelf eveneens een oneindige anticipatie op iets dat maar niet komt. Evengoed weten we daar geen blijf mee. Die Ene sigaret waar jij en anderen het over hebben, blijft een vreemde indringer, ook als lichamelijke ‘prikkel’. Zien we hier niet Freud’s hypothese in terug dat dit vreemde dat nooit op zijn plaats valt, net de breuklijn en de sleutel van de (on)samenhang tussen (menselijke) biologie en psychologie vormt? Dat terwijl het effect noch bij de ene, noch bij de andere hoort? Genot of doodsdrift (in tegenstelling tot de eindigheid van plezier) is, volgens Freud, per definitie ontregelend, een niet te stoppen andere in onszelf. Zowel het onsterfelijke bonzende hart middenin de samenleving als het woord sigaret dat als een zwart gat de constitutie van lichamelijke processen (ont)regelt.

  1. https://m.knack.be/nieuws/wetenschap/het-is-misschien-moeilijk-om-te-stoppen-met-roken-maar-het-is-nog-veel-moeilijker-om-kanker-te-aanvaarden/article-opinion-1405323.html

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *