Nieuwjaars essay 2019. Hoe Wagner het klimaat zou redden

De profanatie van het onprofaneerbare is de politieke taak van de volgende generatie – Giorgio Agamben (2005)

 

Nog maar sinds kort zijn we – toch minstens gedeeltelijk – uit de collectieve illusie van religie kunnen stappen. Toch slaagt de wetenschap er niet in om ons aan de hand van droge cijfers te tonen waar we heen moeten. De actuele ecologische crisis toont nog maar eens dat onze wensen – en dan vooral die van een bepaalde klasse – vandaag nog steeds primeren over wetenschappelijke voorspelling.

Hoe komt het in godsnaam dat we ons beleid niet kunnen voeren naar de fragiele predicties van de wetenschap, goed wetende dat er geen betere voorstellen zijn om onze politieke beslissingen op te staven? Waarom wegen resultaten van degelijk wetenschappelijk onderzoek zo weinig door in ons collectief handelen? Waarom willen we geen genoegen nemen met het droge dogma van de natuurwetten?

In premoderne tijden gold de regelmaat van de natuur – ook toen al – niet zomaar als garantie voor stabiliteit. De automaat van periodieke afwisselingen van de seizoenen, de standen van de maan, de getijden, het dag- en nachtritme, kortom de inherente regelmaat die de natuur ons bood, wisselde zich toen ook bij momenten af met plotse natuurrampen, verwoestende plagen en dodelijke epidemieën. Deze traumatische inbreuken in de natuurlijke orde werden begrepen als het werk van een hogere goddelijke kracht met een bepaalde wil die boven de regelmaat van de natuur stond, de natuurkrachten in toom hield en af en toe de teugels los liet om zijn oppermacht tentoon te stellen. Voorbij de breuk in de orde was er dus een raadselachtig hoger verlangen waaraan men menselijke trekken toeschreef. Medemensen werden om de zoveel tijd geofferd om de willekeur van het verlangen van die opperste macht te sussen. Het teken dat Hij ook orde schept, moest immers een teken zijn van empathie, van liefde voor ons. Ten aanzien van die almachtige God, die garant stond voor de stabiliteit van de natuur, maakte de mens het mogelijk om lukrake natuurrampen (subjectief) beheersbaar te maken, net zoals een kind met giften, theatrale liefde en het overnemen van vaderlijke trekken ook het raadselachtige verlangen van zijn moeder probeert in te vullen en te beheersen. Een pasgeboren kleine is immers volledig afhankelijk van de goede wil van anderen om te overleven en creëert daarom een trukendoos van strategieën om binnen het veld van de liefde van zijn ouders zijn levensnoodzakelijke plaats te bewaren.

Door de moderne wetenschap verdween het verlangen van die hogere macht naar de achtergrond. Gereduceerd tot de droge letter van de formule kon elke vermenselijking/vergoddelijking van de natuurwetten ongedaan worden gemaakt. Natuurwetten zijn niets meer dan dat wat ze zijn. Er zit geen hogere betekenis achter. Natuurrampen zijn sinds de moderniteit volledig te verklaren binnen precies dezelfde natuurwetten die in gewoonlijke omstandigheden in regelmaat voorzien. Niets ‘hogers’ wordt nog als extern geponeerd, enkel rest er nog de interne tegenstrijdigheid van die wetten zelf. We hoeven ons niet meer schuldig te voelen tegenover droge formules. Breuken in de regelmaat zijn geen effect van een macht die boven de natuur staat, maar van de interne tegenspraak binnen de stoffelijke natuur zelf. Daarmee verschuift het idee van de externe splitsing tussen de hogere macht en de natuur naar de interne tegenstrijdigheid van de natuur zelf; natuur wordt zo een machine die imperfect en onaf is, zelf onderhevig aan constructie en reconstructie, maar zonder innerlijke intentie. En dat is nogal leeg om te verdragen en misschien zelfs vreemder dan een betekenisgevende bovennatuurlijke kracht.

Vandaag heerst er een naïeve en gevaarlijke weerstand tegen deze droge maar precaire natuurwetten. We zien de stoffelijke realiteit liever zoals we wensen dat ze is dan zoals ze werkelijk is. Want in feite is de natuur een fragiele en inconsistente stoffelijke werkelijkheid die tot op grote hoogte voorspelbaar, beheersbaar en manipuleerbaar is. Tegelijkertijd stijgt met die beïnvloedbaarheid echter ook de impact van onze invloed. Als we dus niet met dezelfde voorzichtigheid omspringen met de manipulatie van de natuur als die van de kritische wetenschap met haar experiment, dan vernietigen we binnen de kortste keren de wereld zoals die voor de mens leefbaar is. Kunnen we de manipulatie van de natuur dan nog zomaar overlaten aan hebzucht, blinde wensen, kapitaal? We zijn momenteel niet in staat om met die wetenschap politieke beslissingen te maken. In de plaats van deze fragiliteit als dogma van de droge politieke machinekamer te beschouwen en al onze middelen in te zetten om de rampen die ons te wachten staan tegen te gaan, lijken we eerder onbewust nog steeds in die externe oppermacht te geloven die, wanneer hij ziet dat we te ver over de schreef gaan, net zal ingrijpen wanneer de nood het hoogst is. We blijken dus, eerder dan verlicht en volwassen, collectief puber te zijn en heimelijk terug te vallen op die premoderne fantasie van een opperste vaderlijke tussenkomst die boven de natuurwetten staat, hoewel niets er uiteraard op duidt dat dit het geval is. We weten allemaal heel goed dat dit de kern van het probleem is, maar toch slagen we er niet in hier naar te handelen. Hoe kunnen we dat beter begrijpen?

In 1964 werd Catherine Genovese op een drukke publieke plaats in New York vermoord tijdens een steekpartij die langer dan een half uur duurde. 38 mensen zouden er getuige van zijn geweest zonder dat iemand ingreep of de politie belde. Sociale psychologen onderzochten dit fenomeen op experimentele wijze. Dit zogenaamde omstandereffect luidt dat, hoe meer getuigen er zijn van een bepaald misdrijf, hoe kleiner de kans is dat er wordt ingegrepen. Het is te kort door de bocht om deze passiviteit toe te schrijven aan een of andere fundamentele menselijke immoraliteit. Wel veronderstellen de omstanders dat er op zijn minst iemand zal ingrijpen of de politie zal bellen. Deze veronderstelde andere persoon is echter geen stoffelijke ander van vlees en bloed, maar een symbolische functie, net zoals de bovenstaande goede God die zou tussenkomen een symbolische functie is. Deze illusie structureert, hoe basaal ze ook is. Ze is eveneens reëel want ze determineert onze collectieve passiviteit en daarmee de fysische realiteit van de aarde. Niemand grijpt in, precies omdat er een Ander wordt verondersteld in te grijpen, wat niet gebeurt.

Er is vandaag geen groter probleem dan dat. We liggen op het breukvlak tussen het vorige geologische tijdvak genaamd ‘Holoceen’ en het nieuwe tijdvak, het Antropoceen. Daarmee stippen geologen aan dat onze menselijke – zogenaamd zachte – cultuur de belangrijkste oorzakelijke factor is geworden, verantwoordelijk voor bliksemsnelle wijzigingen binnen de atmosfeer, de lithosfeer, de biosfeer, de cryosfeer en de oceanen. Onze meest intieme dromen, wensen en ambities, al wat de mens dus eigen is, komt tevoorschijn als belangrijkste variabele binnen objectieve empirische observaties van onderzoek binnen geologie, biologie, meteorologie, oceanologie, enzovoort. Dit nieuwe tijdvak beveelt ons dat we onze heimelijke wensen onderwerpen aan dezelfde hoge standaarden waarmee we de natuurwetenschappen opzadelen. Illusies hebben groteske stoffelijke effecten. Verlangens botsen op hun materiële limieten. We komen terecht op een noodzaak om onze excessen te bekritiseren in het licht van stoffelijke grenzen. Niet alles is mogelijk.

De vrije markt als wereldsysteem slaagt er niet in om de wetenschap als basis voor politieke beslissingen te beschouwen. Daarom lijkt de vrije markt qua systeem incompatibel met het Antropoceen zijn. De vrije markt lacht de impasse van de wetenschap immers uit in het gezicht. Ze zegt: “Je zou niet verder kunnen? Natuurlijk kan je dat wel. Werk gewoon wat harder en geef andere resultaten. Gewoon doen, daar begint het mee.” Wat ze daarmee ontkent is dat je nu eenmaal niet in dialoog kan gaan met de natuurwetten. De natuur spreekt niet, wij doen het spreken, en de wetenschap is de enige methode die de legitimiteit heeft om haar woorden in de mond te leggen. Omdat net die natuur de fundamentele grond is van alles wat gecreëerd kan worden, inclusief de vrije markt – al zal deze dat met klem ontkennen, heeft deze precaire natuur een veto nodig. Het is geen stem onder de andere in een democratisch stelsel. De precariteit van de natuurwetten staat buiten dialoog. De droge formule van de wetenschap kan niet meer zeggen dan zichzelf. Wederom, er zit niets achter, en net dat maakt de stem van de formule zo ondraaglijk stil.

En waarom blijft de vrije markt voortbestaan ondanks de desastreuze gevolgen van die loochening? Waarom plaatst kapitaal zichzelf boven natuur? Wat is het mechanisme van dat voortbestaan? Kunnen we de vrije markt afbuigen door zijn eigen exces terug te geven in de plaats van in het luchtledige te schreeuwen voor matiging? Als de vrije markt immers ergens geniaal is, dan is het in het driftmatige surplus dat het produceert, iets dat de wetenschap niet geïncorporeerd lijkt te hebben. Misschien is het net door de fundamenteel onbegrepen aard van menselijke drift en subjectiviteit of door onwil om dit te begrijpen binnen de wetenschappen dat het kapitaal op zijn sloffen de wetenschap op de knieën dwingt? Doordat wetenschap drift en subjectiviteit niet lijkt te willen bestuderen kan het immers aan de strenge eisen van de ratio ontsnappen en welig blijven tieren. Het is opmerkelijk hoe de revolutionaire pogingen om de fantasmagorische constructies van de onzichtbare hand te temperen steeds struikelen op de buitensporig productieve aard van de illusie van de onzichtbare hand. Misschien is het wel aangewezen om onze woordkeuze “illusie” te bekritiseren en de wens die in deze illusie zijn uiting vindt te zien als een onderdeel zelf van de realiteit die we trachten te veranderen. Zou het mogelijk zijn om de rede zodanig te hanteren dat het drift incorporeert en de overtollige zinloosheid van drift leert te manipuleren en kanaliseren? Wat als wetenschap drift leert te hanteren om zo de zuurstoftoevoer van kapitaal te leren ombuigen en van haar bestemming af te tappen, om, zoals we verder zullen zien, een realiteit  binnen de realiteit te creëren die de elementen van de buitenste gradueel perverteert totdat ze die stille stem van de rede dienen? We kunnen niet zonder omweg afstappen van het exces van de menselijke hebzucht. We kunnen het slechts verder afbuigen. Dit afbuigen is de wetenschappelijke cultuur die we vandaag missen. Er is een fundamenteel nieuw paradigma nodig willen we overleven in het antropoceen.

Als we de elementen van het kapitalistische discours reduceren tot de eenvoudige letters in een formule, dan kunnen we die formule misschien als apparaat gebruiken om kapitalisme van binnenuit in de eigen staart te laten bijten. Op die manier dienen we te onderzoeken hoe we een kapitalisme binnen kapitalisme kunnen creëren dat een kapitalisme zal worden zonder kapitalist. We hoeven misschien niets meer te doen dan de inherente onzinnigheid van het kapitalisme tot op het einde door te trekken zodat het zichzelf opheft, om van de tragiek werkelijk een klucht te maken, door de punchline te creëren. We moeten het theater wel accepteren in zijn werkzaamheid. The show must go on. Om het met Wagner te zeggen: we kunnen de wonde slechts helen met de speer die haar heeft toegebracht. De fictie van de vrije markt blijkt immers onderdeel zelf te zijn van realiteit. Hoe laten we dan die fictie zichzelf opheffen, aangezien zij niet duidelijk afgescheiden is van realiteit?

Verschillende auteurs kondigden reeds het einde van de satire aan. Realiteit is zelf reeds een parodie geworden en satirici zijn aan journalistieke verslaggeving beginnen doen, “heen en weer schakelend tussen politiek en grap, zonder zelf nog de grens aan te duiden”, zo schrijft de correspondent. We zouden deze lijn in ons vertoog kunnen meenemen. Waarom nog het podium en het museum in hun functie om kunst af te scheiden van de zogenaamd serieuze realiteit? Maakt dit niet de kracht van kunst onschadelijk? Waarom nog de “grens tussen politiek en grap” duiden? We hebben parodie meer dan ooit nodig, niet als een van realiteit onderscheiden theater, maar om de parodie in realiteit zelf tot op zijn eindpunt te krijgen. Er staan ons weinig belangrijkere zaken te doen dan de creatie van punchlines van de groteske mop van kapitaal en zijn lotgevallen. Maar hoe?

Laten we een para-fictief (…) voorbeeld uitwerken, een probeersel waarin parodie en politiek, representatie en realiteit elkaar de hand reiken om de werkzaamheid van blind exces te doorprikken met een punchline. Hoe stellen we de afwezigheid tentoon van het symbolische subject-dat-wordt-verondersteld-de-politie-te-bellen, de lege plek van veronderstelling, het minder-dan-niets dat het collectief in een inter-passieve wurggreep houdt? Hoe doorprikken we het systeem, niet in de representatie, maar in de presentatie zelf? Hoe maken we de punchline van de klucht die luidt dat de huidige economie niets anders dient dan zichzelf, dat wij zonder intrinsieke reden een onzichtbare hand dienen die op zijn beurt een onzichtbare handjob blijkt? Hoe ontknopen we de toverspreuk van de mythe van de onzichtbare hand die als ‘enige ware instantie’ onze mondigheid fagocyteert, alsook die van de wetenschappen en dus van het levensnoodzakelijke veto van de natuurwetten dat zo onontbeerlijk is voor het voortbestaan van het geheel van mens en zijn wereld?

In het communistische ex-Joegoslavië heeft men allerhande raadselachtige, bijna buitenaardse monumenten gecreëerd onder de naam ‘spomeniks’. In natuurgebieden kan men die kolossale menselijke creaties terugvinden. Deze creaties doen unheimlich aan, door de onzinnigheid van al het werk dat erin gestold is. In België weten we dat er op geconcentreerde plekken als Luik en Charleroi een groot deel van de industrie verlaten is, verhuisd wegens te dure werkkrachten. We zouden een grondstof kunnen kiezen die we hier voorhanden hebben en waarvan we weten dat er een bepaalde afzetmarkt voor is in de lokale omgeving. Neem nu glas, dat steeds gerecycleerd kan worden en in de vorm van flessen kan worden gebruikt door lokale brouwerijen. Stel nu dat we een glasfabriek in Luik heropenen. In feite is dit niets anders dan kapitalisme. Mensen werken enkele uren per dag voor de eigen portefeuille en enkele uren per dag voor die van hun werkgever. Maar wat als we nu het feit serieus nemen dat de mens niet vanuit zichzelf van de ban van de ontneming van zijn eigen meerwaardecreatie kan afstappen? Dan moeten we deze onderwerpingslust artificieel creëren, net om die toverspreuk te kunnen breken. Hoewel in de glasfabriek de meerwaarde van werknemers wordt ontnomen, zouden we artificieel de inherent onzinnige aard van de paradoxale betaling-door-ontneming kunnen recreëren. In de plaats van de werkgever die met de meerwaarde een zwembad en villa en dergelijke meer zou kopen en daardoor macht verwerft en bestendigt, wordt de meerwaarde volledig en zonder uitzondering geïnvesteerd in de constructie van spomeniks. Van in het begin, dus, wordt de plek van meerwaarde gecreëerd die bovenop de uitbetaalde gelijke lonen van de werknemers wordt geaccumuleerd (n.b. er is niemand die geen werknemer is). Een spomenik die we voor ogen kunnen hebben zou een reusachtige zandloper kunnen zijn, van antiek ontwerp, als uit een stilleven, waarvan we niet weten wanneer het precies afloopt. Die zandloper zou kunnen worden gecreëerd in het middelpunt van de fabriek waarrond glazen flesjes worden geproduceerd. Wanneer het na enkele jaren af is, wordt de mastodont midden in de natuur geplaatst en begint het zand te lopen. Zo creëert dit object, dat de plaats inneemt van de kapitalist het steentje in de schoen: het materialiseert de inherente onzin van meerwaarde ontneming van werknemers. Het zegt niet wat men moet doen, enkel dat men moet doen, en incarneert met zijn raadselachtigheid een soort geweten. Door het kanaliseren van de zuurstoftoevoer van het kapitalisme in deze gematerialiseerde memento mori’s creëert de meerwaarde werkelijk wat het is: een zinloze materialisering van exces dat het subject terug aan zichzelf geeft. Het volstaat om deze werking te creëren, en de perplexiteit verder zijn werk te laten doen.

Interessant aan deze spomeniks is dat ze niet hoeven te besparen en dat ze geen macht verwerven, dat daardoor de discussie kan ontstaan over de finaliteit van deze afbuiging van meerwaarde, dat ze geen exces creëren dat buiten de wereld van de wetenschap of de stoffelijke realiteit staat, integendeel, ze geven het individuele exces terug aan de individuen zelf. We dienen dan geen onzichtbare hand meer maar een zichtbare steen, die op zich geen macht kan verwerven en bovendien niemand kan toelaten meer macht te verwerven dan iemand anders. Het monument is inherent betekenisloos, net als de letters van de natuurwetten.

Zo vallen we ook niet terug op het naïeve idee dat gelijkheid op zich kan werken zonder meer en dat men revolutie van bovenaf kan opleggen. Van het kapitalisme kunnen we leren dat exces noodzakelijk is en van Marx moeten we leren dat historische gebeurtenissen eerst als tragedie en dan als klucht gebeuren. Vanuit deze spomeniks  kan het zinloze gat, de lege plaats van veronderstelling, als punchline teruggegeven worden aan de mens. In die zin stelen we, in de traditie van Prometheus, het vuur van de goden. De vraag luidt dan of de meerwaarde die afgevoerd wordt naar de spomeniks uiteindelijk zal worden opgeëist door de werknemers zelf. Of dat de meerwaarde verdeeld zal worden, dat een deel ervan naar onderzoek of uitbreiding van sociale rechten zal gaan, een deel naar kunst en wetenschap, onderwijs, collectieve inkomensverhoging, of verder…. de creatie van een ecologisch volksleger enzovoort. Zal er toch een deel naar de spomeniks blijven toestromen? Waarom niet? Alleszins creëert deze werking een werkelijkheid binnen de werkelijkheid, een droom in een droom die steeds een surplus van waarheid bevat.

Uiteraard is dit een para-fictief voorbeeld dat aan uitwerking toe is en eerder ter illustratie dient dan ter directe uitvoering. Toch opent het mogelijkheden voor een compleet ander paradigma. Een die stelt, zoals Freud zijn boek ‘de droomduiding’ begint: Flectere si nequeo superos acheronta movebo – ‘Als ik de hemel niet kan buigen, zal ik de hel bewegen.’ Mijn voornemen voor 2019.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *