Fragmenten uit het logboek van Wolventand IX

Deel 9: Beste Wensen

Gedurende mijn leven heb ik, Wolventand, veel tijd geschonken aan een hele hoop vreemde theorieën en overpeinzingen. Zo dacht ik bijvoorbeeld de voorbije kerstperiode dat er drie soorten kerstgangers zijn. Ten eerste heb je hen die Kerstmis aanbidden, ten tweede degenen die het vervloeken , en ten derde heb je van die luitjes die het allemaal niet veel kan schelen en vooral op de kerstmarkt cactusjenevers naar binnen slaan alsof het niets is en aan de kersttafel een glas rode wijn inschenken terwijl ze nog een glas cava hebben.

Al snel kwam ik echter tot de vaststelling dat het idee om mensen te categoriseren, zeker op basis van kerstgedragingen, onzinnig, ja zelfs je reinste zotternij is. Het is daarom hoog tijd om me bezig te houden met urgente vraagstukken, met de ontrafeling van eigenaardigheden die er écht toe doen.

Zo’n eigenaardigheid ontdekte ik een paar dagen na Nieuwjaarsdag. Die geruisloze dagen vlak na het feestgedruis zijn op z’n zachtst gezegd een merkwaardige periode. De geest ontwaakt gestaag uit de koortsdroom. Het geradbraakte lichaam lapt zich langzaam op. De meeste benen schoppen de laatste katerspasmen uit. Zo wordt er weer een nieuw jaar ingestrompeld. De nek is nog te stram om dat met trots en opgeheven hoofd te doen maar je kan niet alles hebben in het leven. Overal klinken er ‘beste wensen’. Die zijn natuurlijk liefdevol bedoeld. Onthutsend was het dan ook toen ik geconfronteerd werd met de bikkelharde realiteit dat ze in feite een plaag van jewelste zijn. Deze zware aanklacht vraagt uiteraard om toelichting. Liefst onderbouwd.

Ik maakte een wandeling. Dat doe ik wel vaker. Het weer gedroeg zich vervelend zoals je in januari mag verwachten. Het was koud en de lucht wit met hier en daar een sluier mist, alle kleur verbannen. Er zweefde een geur van open haard.

Wat verderop zag ik een landloper aanbellen bij een huis. Hij had een fles bubbels bij. Een andere deed open. Toen klonken er beste wensen. De ene trippelde naar binnen en onder gegiechel sloten ze de deur. Ik kuierde verder. Niet veel later kwam ik iemand anders tegen. Naar het voorbeeld van het fenomeen dat ik net had aanschouwd gaf ik de passant m’n beste wensen.

Zoals u weet, heb ik lang op zee geleefd. Nu, daar werden niet echt beste wensen uitgedeeld, er heersten andere tradities. Het was daarom de eerste keer dat ik de wensen gaf. Een historisch moment.

Zo begon het. Daarna volgde een andere landloper en deed ik hetzelfde. Vervolgens nog één en opnieuw beste wensen. Twee van hen glimlachten en wensten me hetzelfde, de laatste fronste en gaf me slechts een kort knikje. Ik ging een bakkerij binnen.

‘Wat mag het zijn?’, vroeg de vrouw van achter de toonbank.

‘Drie tigerpistolets.’

‘Da’s alles?’

Een koude rilling streek over m’n rug. Ik vraag niet veel, ik ben een eenvoudig man. Ik heb in feite voldoende met drie tigerpistolets. Toch moest ik nog iets toevoegen.
‘En nog beste wensen!’ riep ik. Een sprankje paniek in m’n stem.

Haastig smeet ik wat stuivers naar de bakkersvrouw en liep naar buiten. Een bus stopte wat verderop. De deuren zwaaiden open en een bejaard dametje hees zich naar binnen. Hoewel ik het niet wilde, sprong ik de bus in. Ik moest wel.

‘Beste wensen!’, snaterde ik tegen de chauffeur die me hetzelfde terugmompelde. Ik nam de koude hand van het bejaarde dametje vast en schreeuwde beste wensen in haar antieke oor. Ze lachte en mompelde iets maar haar stem was te wollig om er iets van te verstaan. Daarna riep ik het naar alle passagiers. De deuren sloten zich maar ik wurmde me er nog net tussen en sprong terug op de stoep.

Ik begon te lopen. Ik passeerde een blinde man met een hond en hield halt. Ik deed m’n best, geloof me. Ik stampte colèrig als een stier met m’n ene voet op de grond. Het lukte niet. Ik moést het zeggen.

‘Beste wensen’, fluisterde ik in de blinde zijn oor.

Hij schrok en viel achterover op de stoep. Ik hielp hem niet overeind, daar heeft ie een hond voor. Ik aaide het bezorgde teefje over haar rug en gaf ook haar m’n beste wensen. Ik begon weer te spurten. Ik was serieus over mijn toeren.

Ik passeerde een flatgebouw en snel liep ik de brandtrap op. Zo belandde ik op het dak. Hier was gelukkig niemand. Onder de witte lucht lag de stad erbij als een fletse, lelijke puzzel. De beste wensen hadden me ernstig opgejaagd. Ik hief m’n beide armen op en brulde de wensen naar de stad.

‘Ziezo, nu ben ik niemand vergeten’, besloot ik.

Langzaam vond ik mijn adem terug.

‘Hetzelfde voor jou’ hoorde ik plots achter me.

Ik draaide me om en zag een man in zijn onderbroek op een handdoek liggen. Hij had een beginnend buikje. Hij zette een zwart brilletje af.

‘Wat bent u aan het doen?’

‘Zonnebaden tiens’, antwoordde het figuur.

‘De zon schijnt niet vandaag’ merkte ik terecht op.

‘De zon schijnt altijd.’

Daar had hij een sterk punt. Een beetje van mijn melk besloot ik ter zake te komen:

‘Hoelang moeten jullie elkaar eigenlijk de beste wensen wensen?’

‘Hoe bedoel je?’ fronste hij.

‘Wel, duurt dat heel januari of is dat slechts enkele dagen? Wat bijvoorbeeld als je iemand later in het jaar voor de eerste keer terugziet? Zo pas in Mei? Geef je hem of haar dan nog steeds de beste wensen?

‘Geen idee.’

‘Het is wel belangrijk dat dat gereguleerd wordt’ zei ik statig. De herinnering aan mijn dwangmatige wensen lichtte even op. Ik huiverde.

‘Ik heb geen tijd om me daar mee bezig te houden’, begon hij, ‘mijn voornemen voor dit jaar is me beter te verzorgen. En dat begint met bruinen. Goed voor m’n zelfbeeld. Dat gaat me deugd doen.’ Hij haalde een pluisje van tussen zijn armzalig borsthaar en liet het neerdalen op het dak.

‘Met dit weer gaat dat nog even duren’, merkte ik wederom terecht op.

‘Het is daarom dat ik geen tijd heb voor Beste Wensen Wetgeving. Ik moet zonnebaden. Dat zal me deugd doen. Ik moet me meer verzorgen. Ik heb een zwaar leven gehad ziet u.’

De man zette z’n zonnebankbrilletje weer op. Hij rekte zich uit en begon zijn levensverhaal te vertellen. Dat interesseerde me echter niet. Ik liep terug naar de brandtrap. Ik wierp nog een laatste blik op de man. Hij was onophoudelijk beginnen tetteren. Zijn gezicht naar de witte lucht. Ik hoorde nog ‘ Als kind, had ik een heilige schrik voor boterhammen met chocopasta. Dit in tegenstelling tot mijn klasgenootjes. Onvermijdelijk was het dan ook dat het mijn zelfbeeld rake klappen toebracht.’

Ik zette de afdaling in. Toen ik eenmaal beneden iemand passeerde, hield ik even halt. Ik beet op m’n lip. Ik stak m’n vinger op. De persoon liep gewoon door. Ik keek hem even na. Daarna draaide ik me om en wandelde verder.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *