Fragmenten uit het logboek van Wolventand X

Deel 10 Pleidooi

Ik moet iets zeggen over het woord pleidooi.
Ziet u, vroeger, als ik het woord ergens las of hoorde dacht ik meteen aan eieren, meer bepaald eierdooiers. Ik meen het. Dat is niet als flauwe mop bedoeld. Het was zo en het was verschrikkelijk.

Want pleidooi is een ernstig woord dat om concentratie vraagt. Als jullie landlopers zo moedig zijn om een pleidooi te geven zijn daar vaak uren research aan voorafgegaan. De persoon in kwestie is ergens van overtuigd, heeft daar zijn hart ingestort en wil ons ook overtuigen. Het is menens jawel. Het brein heeft werk te doen. Wikken, wegen, delibereren, bekritiseren. Als ik dan bij pleidooi meteen aan een spiegelei moet denken is dat ronduit beschamend.

Ik heb daarom geprobeerd pleidooi ernstig te nemen. Al snel werd ik getest.

Die test gebeurde toen ik naar een speelgoedwinkel ging. Nu kan u zich afvragen: Wat heb jij, Wolventand, daar in godsnaam te zoeken?

Wel, ten eerste doe ik wat ik wil. Ten tweede en ten belangrijkste had ik sinds een paar dagen een ongelofelijke zin in het oplossen van een legpuzzel. Dus ging ik er één halen.

Zo ging ik een speelgoedwinkel binnen. Mijn voeten werden zacht onthaald door een grijze tapis-plein. Een harde, hete wind, afkomstig van de verwarming, blies m’n haar tot in een middenstreep. Dat vond ik niet fijn. Men moet niet op mijn haar blazen. Men moet in feite gewoon van mijn haar afblijven. Ik gromde en blies terug. Dat had maar weinig effect. De hete wind gunde mijn simpele haarlokken geen rust. Ik wilde er weg. Maar niet zonder puzzel. Ik sprong een meter naar voren. Hier was geen geblaas meer. Mijn kapsel bekwam. Ik keek rond.

Aan de kassa sloeg een vrouw een praatje met de kassierster. De rechterhand van de vrouw rustte op het stuur van haar buggy. Daar lag een baby in te slapen. Dik ingepakt tegen de koude buiten. Aan de andere hand van de vrouw hing haar dochtertje. Witblond krullend haar. Uit één van haar tere neusgaatjes droop een dunne, doorzichtige streep slijm. Haar mond stond lichtjes open. Ze had bijzonder kleine tandjes waarover een bel speeksel glansde. Haar helderblauwe ogen rolden traag door de winkel. Haar gezicht stond zeurig. Ze jammerde een beetje. Heel zachtjes. Dan drukte ze haar gezicht tegen de dij van haar moeder.

Wat verderop haalde een vader gebukt een doos lego uit het schap. Een piratenschip. Zijn jonge zoon stond naast hem. Het mannetje zoog op zijn duim. De vader zei iets dat ik niet kon verstaan. Ze leken te onderhandelen. Het jongetje keek even naar de doos maar schudde zijn hoofd en wees naar een andere veel grotere. De vader schudde daarop op zijn beurt zijn hoofd. De kleuter stampte even op het tapijt, jengelde en kruiste boos zijn armen. De vader zuchtte.

Wat hier aan de hand was werd me meteen duidelijk. Het was zo klaar als een klontje. Ik had met de kinderen te doen. Hun leed werd veroorzaakt door de overvloed aan keuzes tussen heerlijk speelgoed. De winkel oogde bovendien veel te druk door het bombardement aan kleuren. Ik had het anders gedaan. Rustiger. Zodat de kinderen ook rustig zouden blijven. Dit had een paradijs voor de kleintjes moeten zijn. In plaats daarvan was het een terreur van keuzestress.

Ik kreeg daarom het idee om de manager op het matje te roepen.  Zo dacht ik een pleidooi te houden om al het speelgoed per kleur te sorteren. Uiteindelijk besloot ik dat niet te doen. Het zou immers teveel als dwangneurose overkomen. Ik kan mij voorstellen dat ouders dat maar gevaarlijk vinden klinken. Voor je het weet zou ik de winkel uitgekletterd worden zonder puzzel. Liever niet denk ik dan. Ik had met het leed van de kids te doen, jazeker, het raakte me. Maar ik wilde heel graag m’n puzzel.

Ik wandelde verder door de zaak. Op zoek naar de puzzelafdeling. Ik kwam onderweg gezelschapspelen tegen, lego, blokkendozen, driewielers, steps, knuffels en computerspellen. Een groepje tieners bewonderde een Playstation 4.

Ik passeerde de afdeling 3 tot 8 jaar. Daar gebeurde het. Ik zag plots het woord waar ik zo m’n best voor deed het serieus te nemen.

Pleidooi. Al was het niet pleidooi maar Play-Doh. Kleurrijke plasticine waar je in theorie alles, maar dan ook alles mee kan maken. Ik nam een doos uit het rek en bestudeerde deze grondig. Het verschil tussen een puzzel en plasticine is dat, waar een puzzel een vaste bestemming heeft, plasticine dat niet heeft. Dit zal u wellicht niet verbazen. Dat deed het mij wel. Ik had het nog nooit gezien.

M’n hartslag sprong haasje over. Een keuzestress drong zich aan me op. Ga ik voor een puzzel of ga ik voor de Play-Doh?

Ik verzonk in roerloze twijfel en had daar nog lang kunnen staan had een dreumes me niet plots aan mijn mouw getrokken. Hij had rossig haar en op zijn snoet een heelal aan sproeten. Cognac-bruine, fonkelende ogen die verrieden dat hij een deugniet was. Hij liet één vingertje in zijn mondhoek hangen waardoor een stroompje kwijl over zijn kin gleed. Zijn andere arm hield hij achter zijn rug. Hij slaakte een hoog gilletje en lachte naar me. Ik knielde.

‘Dag manneke’, begon ik, ‘kan je al praten?’

‘Nee’, zei hij doodeerlijk.

Hij lachte nog een keertje en haalde plots een brandweerautootje tevoorschijn. Op de wagen zat een knop die de sirene deed loeien en koplampen liet branden. Daar werd het ventje bijzonder opgewonden van. Hij gebaarde dat ik nu op de knop moest drukken. Dat deed ik tot zijn groot jolijt. Met een plofje zette hij zich op het tapis-plein en begon te spelen.

‘Wolf, laat die man eens met rust’, hoorde ik plots achter me.

Zijn moeder kwam vanachter me aangewandeld. Ze zette haar zoon recht.

‘Sorry hoor, meneer’, zei ze.

Ik gebaarde dat het niet erg was.

‘Kom, schatje, geef mama eens een hand’. Het mannetje keek naar de grond en dan terug naar mij.

‘Geef mama eens een hand!’, herhaalde de moeder iets luider.

Met tegenzin gehoorzaamde hij en ze vertrokken. Hij keek nog even achterom. Met de brandweerauto in zijn handje zwaaide hij nog naar me. Ik zwaaide terug met de Play-Doh. Op zijn weg raakte hij een andere doos Play-Doh aan. Plots was de knoop doorgehakt. Ik besliste die doos te kopen. De puzzel zou ik laten voor wat het was.

Ik haalde de Play-Doh uit het rek. Wat de inhoud was houd ik liever voor mezelf. Wel kan ik zeggen dat het met prinsessen had te maken. Ik was daarom ook licht teleurgesteld. De ontmoeting met het rosse mannetje had echter beslist dat het deze zou worden. Dit was de uitgelezen kans om niet te hervallen in de keuzestress die in het slechtste geval tot complete verlamming zou leiden.

Ik dacht dat de kassierster vreemd zou opkijken van mijn aankoop. Dat was niet het geval. Met een glimlach scande ze mijn artikel en piepte ze de prijs. Terwijl ik betaalde hoorde ik plots het snerpend gegil van een alarm. Ik draaide me vliegensvlug om en zag een jongen met iets de winkel uitrennen. Ik schatte hem 12 jaar. Vanuit het niets verscheen een security-bonk die meteen de achtervolging inzette.

Het was een reflex. Ik deed het alvorens mijn brein op de hoogte te brengen. De bewaker sprintte langs me heen. Ik zette m’n voet opzij. Het werd een pootje lap om u tegen te zeggen. Met een schreeuw stortte hij op het tapis-plein neer. De jongen was uit het zicht verdwenen.

Ik draaide me terug naar de kassierster.

‘Heeft u misschien nog een zakje? Dat zou handig zijn.’

De kassierster keek met grote ogen naar de gesneuvelde kleerkast op de grond. Ze had me niet gehoord.

‘Excuseer mevrouw, heeft u misschien een zakje? Dat zou handig zijn.’

Ik wees naar de doos Play-Doh. Ze keek me aan. Plots kreeg ik geen adem meer. Ik voelde hoe een arm zich rond m’n hals sloot en hoe m’n rechterarm stijf naar achter werd getrokken. Ik kreeg een knie tegen m’n dijbeen en mijn gezicht werd tegen de toonbank gedrukt.

Daarna zat ik met twee security-stieren en de manager in een kamertje. Gezellig was het daar niet. Het was armzalig gedecoreerd. De lucht was er droog. Ik voelde m’n neus al tintelen. De manager deelde me mee dat ik een werkstraf kreeg. Na de werkuren moest ik de speelgoedwinkel schoonmaken. Dit een week lang.

Dus deed ik dat. Ik vond het eerlijk gezegd niet zo erg. Ik zat daar in alle rust. Omringd door tonnen speelgoed. Ik speelde er. Liet er mijn verbeelding los. Ik liep over en weer, naar achter de toonbank en weer terug. Zo speelde ik verkoper en klant. Gelachen dat ik heb.

Op het einde van de week voelde het als mijn speelgoedwinkel. Op de laatste avond heb ik daarom al het speelgoed per kleur gesorteerd en al de afdelingstitels, waaronder die van 3 tot 8 jaar, weggehaald. Ze hadden nu geen zin meer. Het hele gedoe was een karwei. Maar het was het waard. De winkel was nu een regenboog. Een paradijs. Ik was trots.

De volgende dag ging ik kijken. Ik ging de winkel niet binnen, ik loerde van buitenaf. De manager en kassierster oogden wat bleekjes. Maar voor de rest zag ik enkel vredige ouders en bevrijde kinderen. Ik grijnsde en begon weer verder te kuieren.

Ik heb nog niet met mijn Play-Doh gespeeld. Dat is voor één van de komende dagen.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *