Fragmenten uit het logboek van Kapitein Wolventand XI

Deel 11 Aveve Maria

Twee jaar geleden ruilde ik, Wolventand, het ruime sop voor het land en zette vastberaden m’n grote voeten aan wal met één missie: De gevaren der Aards bestaan in kaart brengen. Gedurende mijn omzwervingen op jullie aardkorst botste ik al op een heleboel zotternijen, beklom ik een berg aan wonderlijke, halfgare avonturen. Deze confrontaties met jullie aardse habitus lokten natuurlijk een gemis bij me uit. Een verlangen naar mijn geliefde wateren die onherroepelijk in het verleden liggen te klotsen. Daarom is het goed dat er andere wateren bestaan, zoals meren, beken en sloten. Maar ook fonteintjes. Ach fonteintjes.

Weet u, niet zo lang geleden kwam ik nog eens een fonteintje tegen. Ik kuierde onder een brandende zon door een stad. Het was nu al een tijdje zomer. Het seizoen had de mensen in haar greep. Het is me duidelijk: We zijn niet opgewassen tegen haar gruwelijke verleiding. Het is al te laat wanneer de laatste lentebloesem valt en de zomer haar eerste adem uitblaast die de vorm aanneemt van een zwoele, uitnodigende wind. Gretig snuiven we haar op, haar geur die ons naar een hoogte lanceert waar we als vuurpijlen in verraderlijke vrolijkheid uiteenspatten. Ze omhelst ons. Maar na een paar weken verzwaart haar eerst begeerlijke adem, komt tot stilstand en stikt bruin boven de stad om uiteindelijk samen te klitten tot een soezende schim. Een loom spook dat ‘FOMO’ in onze vermoeide oorflappers fluistert wanneer we beslissen een duffe Summer Session of onnozele Open Air te skippen. Ze chanteert ons met haar vergankelijkheid en terroriseert ons met wat wel eens ‘de laatste BBQ’ van het jaar zou kunnen zijn. Het zal ons een worst wezen dat we tot in het merg van onze beenderen voelen hoe ze ons commandeert. We zijn een gewillige gijzelaar en tot over onze oren verliefd dus ploffen we ons neer op het eerste het beste terras en zetten we het op een zuipen in de hoop met die goeie, ouwe vergetelheid de lakens te delen.

Toen ik daar door de straten wandelde was de temperatuur tussen de rijen huizen onder zijn eigen hitte ingestort. De lucht die ik inademde was warmer dan mijn binnenste. Ik besloot schaduw op te zoeken. Ik wandelde een land- en tuinbouwwinkel binnen die een naam draagt alsof een stotteraar Onze-Lieve-Vrouw Maria probeert te groeten: AVEVE.

M’n smeulend nekvel was dankbaar voor de schaduw. Het was er fris. De lucht airco-droog. Er hing een zoete geur die me het gevoel gaf plots één met de natuur te zijn en me tegelijkertijd nogal misselijk maakte. Ik strompelde langs de rayons en geesteloos, nog bekomend van mijn gesmolten brein, las ik de opschriften op de talloze dozen met tuingerei.

In het midden van de winkel kabbelde daar dus een elektrisch fonteintje. Ja, ik heb graag fonteintjes. Hun geluid. Zo vredig en fragiel. Grotere fonteinen kletteren daarentegen statig en fier maar ook dat stoort me eigenlijk niet. Water heeft altijd iets te vertellen.

Ik stak m’n vinger in het opborrelende bloemkooltje water. Koud. Het kietelde dus ik giechelde. Mijn ogen werden vochtig. Ik kon amper tranen van vreugde bedwingen. Tegelijkertijd voelde ik een doffe, aanzwellende droefheid. Deze deed me echter niet janken. Ik begon daarentegen een onbestemd deuntje te fluiten. Ik weet niet hoelang ik naar dat fonteintje heb staan lonken. Ik denk wel een poosje. Te dagdromen terwijl ik mijn gefluit langzaam liet sterven. Mijn gedachten dwaalden af. Naar waar weet ik niet. Ik kan het me niet herinneren. Eenmaal de realiteit binnenvalt doet ze dat zo gezwind als een bosbrand en blijft er van de droomwereld slechts een kiem over, ergens begraven, ongeduldig wachtend in de assengrond. Ik keek op.

Eerst viel mijn blik op een uit hout gevlochten huisje voor je rat als huisdier. Met een klein voortuintje en een raampje en schoorsteen. Het kon zo uit een sprookje komen. Naast het huisje lagen grote, zilveren zakken graan en zaden met multivitaminen getiteld Fit & Furry en daaronder massageborstels in alle maten en kleuren om je rattenmakker eens lekker te verwennen.

Nog geen dertig centimeter daarnaast echter stond een rij dozen met lijmvallen waarop een opgekrulde, dode rat was afgebeeld, daarnaast felblauwe korrels vergif en tenslotte een ingenieuze rattenval die iets weg had van een mini-guillotine.

Mijn ogen flitsten van de Fit & Furry naar de ‘kills 100% of the time’ op de rattenguillotine. Op dat moment viel er iets voor mijn voeten. Ik zag niet meteen wat het was. Ik bukte me. Het was het triestige overblijfsel van een zonnebloempit. Er viel er nog één. En nog één. Ik draaide me om te zien vanwaar de schilfers kwamen.

Naast me stond een vrouw. Ik schatte ze eind de dertig. Ze droeg een donkerblauwe vest over een vale bloemenjurk. Ze had niets van maquillage. Een perfect haveloos gezicht. Er zat geen enkel foutje in. Toch was ze niet bepaald knap te noemen. Ze had dunne lippen en in haar bruine ogen huisden geen fonkeling. Het was alsof er een grijze schaduw als sluier over haar gezicht hing. Haar uitstraling was, laat ons zeggen, bleek en neutraal. Nee, meer zelfs, ze zag er in feite ontiegelijk saai uit. In haar hand een verfrommeld plastic zakje met zonnebloempitten. Ze zoog op de pitjes met een onverschillige blik naar de vallen. Het was eng. Ik heb in mijn leven al veel bizarre figuren ontmoet maar haar oersaaie uiterlijk stemde me miserabel, slapjes en tegelijkertijd opstandig.

Ze spuugde voor een derde maal een zonnebloempit naar de grond. Ze keek me aan en moffelde het zakje zonnebloempitten weg. Plots zag ik dat haar neutrale blik plaats had gemaakt voor een traan. Ze huilde. Heel stilletjes. Ik heb niet getwijfeld. Empathisch als ik ben nam ik haar bij de hand en leidde haar terug naar het fonteintje dat hopelijk met zijn sereen kabbelen haar geruisloze blèren kon doen stoppen. Bij de aanraking met haar hand voelde ik hoe koud het zweet op haar hand was. Ze sprak:

‘Ik ben Dina.’

‘Aangenaam Dina. Wolventand. Waarom huil je?’

Ze staarde naar het fonteintje.

‘Mijn vriend gaat me bedriegen.’

‘Hoe weet je dat zo zeker?’

‘Hij heeft het me gezegd’, zei ze plots streng terwijl ze opkeek, ‘hij wil het.’ Haar stem bibberde.

‘Hij wil je bedriegen?’

‘Ja.’

‘Wat is me dat nu?!’

Mijn verontwaardiging klonk niet oprecht. Het flirtte met sarcasme. Wat kon ik eraan doen. Ergens begreep ik haar vriend. Voor me stond geen mens maar een levenloos schepsel, een grijze muis. Zelfs haar tranen glommen niet op haar doffe wangen. Het lieve fonteintje kabbelde rustig verder.

‘Stop nu maar met wenen Dina’, begon ik, ‘waar is die vriend van je?’

‘Onderweg.’

‘Naar hier?’

‘Ja, hij ging het hier proberen.’

‘Wat?’

‘Me bedriegen. Zodat ik het kan zien.’

Op dat moment hoorde ik een stem achter me: ‘Dina? Wie is die man?’

‘Lieven!’, riep Dina en ze spurtte naar een man toe en viel hem in een dramatische omhelzing. Er viel een muizenval uit het rek. Door de klap ging het veermechanisme af, sprong de val een paar centimeter in de lucht en bleef dan roerloos liggen. Het was een merkwaardige man. Over zijn rechteroog plakte een huidkleurige pleister. Zijn lichaam toonde fit en gespierd. Zijn gezicht niet. Diepe groeven tekenden een vermoeidheid. Via zijn ene oog keek hij eerst naar de val dan naar mij en dan naar de zonnebloempitten op de grond. Hij beantwoordde Dina’s omhelzing niet. Zijn armen hingen er slap bij. Zijn vingertoppen tikten zenuwachtig tegen elkaar waardoor de aderen aan de oppervlakte van zijn hand kronkelden als onderhuidse wormen.

‘Zo kan ie wel weer Dina.’

Dina liet hem los. Ik kon haar gezichtsuitdrukking niet zien.

‘Wolventand, aangenaam’. Ik zwaaide.

De man was een onbeleefderik. Hij begroette me niet. Even had ik zin om hem een lesje te leren maar in de onbeantwoorde stilte maande het fonteintje me aan tot vrede. Hij knoopte zijn hemd wat verder los. Zijn borst was verbrand. Zijn ene oog keek schichtig rond. Zijn blik bleef hangen bij een hoogzwangere vrouw die een doos meststof voor een gazon uit een rek nam. De vrouw had vuurrode sandalen aan. Ze stonden haar bijzonder goed.

‘Niet doen Lieven, alsjeblieft, niet doen’, jammerde Dina. Ze liet haar grauwe hoofd hangen. Lieven snoof. Traag wandelde hij op de vrouw af en zei iets tegen haar. Ik verstond niet wat. De vrouw keek ongemakkelijk. Lieven richtte zijn oog naar Dina. Er zat iets verbeten in zijn blik. Dina jengelde. Hoewel ze weende toonde haar gezicht vreemd genoeg niet overstuur. Het leek alsof ze er haar best voor moest doen, haar jammeren klonk zielloos, het miste iets fundamenteel.

Lieven stak zijn hand uit richting de zwangere buik van de vrouw. De vrouw had nog steeds de doos meststof vast. Ze stond gevangen in het moment. Haar blik vond de mijne. We wisselden vraagtekens uit.

Lievens hand zweefde nu op enkele centimeters van de bolle buik. Het was best een spannend moment. Behalve voor het fonteintje natuurlijk. Dat deed lekker zijn eigen ding. Kabbel, kabbel, eeuwig gekabbel. Wat zou het fonteintje het ook allemaal kunnen schelen? Ach fonteintje toch.

Lievens vingers strekten zich. Het bloed weggeduwd, zijn hand werd wit. Hij trilde. Dina sloeg een gilletje en ze strekte haar arm. Uit haar mouw schoof haar grijze, opengesperde hand alsof ze elk moment een bezwering uit kon spreken. Ik fronste. Ik wist eerlijk gezegd van toeten noch blazen wat er zich voor me afspeelde.

Lieven trok zijn hand terug die zich tot een vuist balde. Hij richtte zijn gezicht naar de vloer. ‘U heeft werkelijk prachtige sandalen aan’, zei hij overdreven luid. Hij keek de vrouw niet aan. Dan wendde hij zijn eenogige gezicht terug tot Dina. Zijn ene oog keek woedend en tegelijkertijd onbeholpen. Vanaf dat moment ging het allemaal snel.

‘Ik kan het niet!’ riep hij. Er klonk wanhoop in zijn stem en tegelijkertijd constateerde hij het. Gewoon. Alsof het de normaalste zaak was. Hij vloog op Dina af. Die verwelkomde hem met gespreide armen en ze fluisterde: ‘Yes, yes, yes, kom maar, kom maar bij je Dina’. Ik huiverde.

De Dood is saai. Sterven is dat niet. Maar vaak wel onbenullig. Lieven was de muizenval die op de grond was gevallen vergeten. Hij struikelde erover en viel met een logge zwaai richting Dina. Die kon zijn kloeke lijf nooit tegenhouden. Als een koppel dominostenen keilden ze naar de grond. Lieven viel met zijn gezicht op de grijze lijkjes van de zonnebloempitten. Dina was minder fortuinlijk. Ze kwakte met haar achterhoofd op het vreedzame fonteintje. Dat bleef als bij wonder overeind. Daar lag Dina. Opgekruld. Als een omgekeerde C met haar grijze hoofd op de ijzeren teut waar het water opborrelde. Dina stokte en knipperde hevig. Ik hoorde het fonteintje sputteren. Het water kleurde roze. Dina zwaaide met haar armen. Ze greep me bij m’n arm, haar nagels kliefden zich in m’n huid. Met ogen vol paniek en ongeloof keek ze me aan. Ik kon niks zeggen. Lieven sprong overeind, zijn oog draaide in het rond. Hij zwalpte, botste duizelig tegen de zakken Fit & Furry, graaiden om steun in het vak van de muizenvallen. Die kletterden op de grond, gingen af. Sprongen als mislukte raketjes in de lucht. ‘Dina!’, riep hij angstig.

Dina liet m’n arm los. Haar ogen draaiden weg. Ze gleed van het fonteintje af. Ik kon haar nog net achter haar hoofd nemen en op de grond leggen. Ik voelde een dikke, stroperige warmte tussen m’n vingers die vloekte met het frisse water van het onverstoorbare fonteintje. Het zakje zonnebloempitten viel uit haar vest op de grond. Medewerkers en kassiers kwamen aangehold. ‘Dina!’ krijste Lieven weer en onbeleefd als hij was duwde hij me weg. Een grote plas bloed achter Dina’s hoofd, drong zich in het tapijt als een donker aureool. De hulpdiensten werden gebeld. Lievens gezicht was doordrenkt met tranen. Hij reageerde niet op de medewerkers en kassiers. Zijn oogpleister kwam los, viel geluidloos op de grond. Er zat een oog dat er gezond uitzag. Ik wilde vragen waarom hij het had afgeplakt maar hield me in. Het was niet het juiste moment.

Toen ik haar daar zag sterven, toen ik Dina daar zag sterven wist ik dat de wereld voor Lieven om zeep was en dat hij zich voor de rest van zijn leven alleen zou voelen omdat ze hem als loom spook een eeuwige schuld zou influisteren.

De hoogzwangere vrouw was naast me komen staan. Lijkbleek. De doos met meststof trilde in haar hand, ruiste als een sambabal als begeleiding voor het kabbelend fonteintje. Onder haar jurk, langs haar been zag ik bijna onzichtbaar een straal water naar beneden sijpelen die vertraagde bij haar enkel en de vuurrode gesp van haar sandaal kuste. Ik zei:

‘Mevrouw, die sandalen staan u werkelijk als gegoten maar ik geloof dat uw water is gebroken.’

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *