COVID-19: Rampen-communisme

Ian Parker* leest Slavoj Žižek’s PANDEMIC! COVID-19 Shakes the World snel door.

Enkele dagen geleden bleef een oud vrouwtje in de groentewinkel aan de rand van de groenteafdeling staan om me te laten passeren. Glimlachend zei ze me vrolijk: “we zijn nu allemaal vijanden”. Te midden van de lockdown, nu er sprake is van een gedwongen afstand van anderen en we, terecht, worden aangespoord  ons te houden aan een maatregel – twee meter – van social distancing, worden we steeds weer geconfronteerd met een paradox. We zijn dan wel van anderen afgescheiden, maar juist het sociale proces van waaruit we dat doen, zorgt voor een verhoogd gevoel van solidariteit. Terwijl we in Groot-Brittannië elke donderdagavond om 20.00 uur voor de NHS applaudisseren, krijgen we een glimp te zien van buren waar we anders misschien nooit mee zouden spreken. Hun verre blikken creëren nieuwe vormen van verbondenheid.

Slavoj Žižek’s nieuwste boek ontgint de mogelijkheden van precies deze nieuwe omstandigheden waarin we anderen op een heel nieuwe manier waarderen, en hij komt herhaaldelijk terug op de vraag wat voor soort sociale band COVID-19 nu in de wereld tot stand brengt. Het antwoord: “Wat we nodig hebben is een volstrekt onvoorwaardelijke solidariteit en een wereldwijd gecoördineerd antwoord, een nieuwe vorm van wat ooit het communisme heette”. Deze nieuwe omstandigheden dwingen hem toe te geven aan zowel zijn eigen angst en nachtmerries, als aan de behoefte om eraan te beantwoorden met inbegrip van de moeilijkheid om dat te doen. Dat lijkt bij hem een nieuwe radicale fijngevoeligheid te hebben aangewakkerd waardoor sommige van de meer ridicule van zijn recente uitspraken over de politiek gelukkig zijn weggevallen.

Dit boek, en dat zullen sommige mogelijke lezers graag horen, is eveneens Hegel en Lacan-light, en des te beter. Hij wendt een aantal kernideeën van deze theoretici aan, maar wel gewoon om directe politieke punten te maken. Het is bijvoorbeeld Hegel die ons laat zien hoe die paradox van afstand, die een nieuw gevoel van solidariteit met zich meebrengt, meer is dan dat. Het is dialectisch te begrijpen: we leren dat het pas nu is, “wanneer ik van velen van mijn naasten moet wegblijven, dat ik hun aanwezigheid, hun belang voor mezelf, ten volste ervaar”. Lacan verschijnt heel wat later in het boek, impliciet in het onderscheid tussen realiteit en het reële, en expliciet in de verkenning van fantasieën over wat de mysterieuze oorzaken van het ontstaan van het virus zijn, en wie er munt uit kan slaan.

In die zin is “realiteit” datgene waar we op terugvallen om de wereld te begrijpen: georganiseerde symbolische kaders die wellicht ideologische common sense bevatten maar ook radicale theoretische analyses van politiek-historische omstandigheden. We doen ons best om wat er nu met ons gebeurt te integreren in die tegenstrijdige kaders. Het “reële” is iets anders, de brute materie en de onvoorspelbaarheid van de wereld die zich voordoet in de vorm van schokken en trauma’s die onze realiteit ontregelen en op de helling zetten: “virale epidemieën herinneren ons aan de uiterste contingentie en zinloosheid van ons leven”. Wat is COVID-19, behalve de naam waarmee we wat zich aandient proberen te temmen en zin te geven; waarmee we iets zinloos dat ons treft en doodt, iets van het reële, de realiteit binnenbrengen?

De schok van het reële, van dit soort virussen, leidt tot een gevoel van desoriëntatie, maar ook tot pogingen om er mee in het reine te komen, en daarbij elke verklaring aan te grijpen die in het rond dwarrelt. Hier neemt Žižek een aantal vruchtbare zijdelingse stappen, naar de internationale dimensie van de COVID-19-crisis, om te beschrijven hoe de Russische media hun programma van dubbelzinnige en opzettelijk desoriënterende propaganda voortzetten. Ze gaan door met het zaaien van argwaan jegens het Westen als terrein van mysterieuze ideeën over het virus, waaronder samenzweringstheorieën van verschillende aard, en suggereren in hun verslaggeving dat elke theorie een kern van waarheid zou kunnen bevatten. Dit zijn de meesters van fake news die goed begrijpen hoe het onze greep op de realiteit kan aantasten, alsook ons vermogen om betekenis te geven aan wat er uit het reële verschijnt.

Andere theoretische invalshoeken liggen in een kritisch onderzoek naar het werk van Giorgio Agamben, de Italiaanse filosoof van de ‘staat van uitzondering’ – het idee dat de rechtsstaat in de wereld zodanig wordt opgeschort dat bepaalde categorieën van mensen als minderwaardig aan de mens worden beschouwd. De berichtgeving over COVID-19 is een vruchtbare voedingsbodem voor het vermoeden dat iemand baat heeft bij de verspreiding van het virus, en hoewel Agamben in grote lijnen links staat, zijn het vandaag de dag de rechtse libertairen die zich verzetten tegen de lockdown en daarin een nieuwe poging zien om een ‘staat van uitzondering’ op te leggen. Door te stellen dat dit virus slechts een kwalijke vorm van griep zou zijn, geeft Agamben zelf dit soort zaken een zekere vrijgeleide. Deze denklijn brengt ons tot een Trump-achtige reactie; ontkenning en vervolgens onoverwinnelijkheid.

De internationale dimensie komt naar voren in de discussie over de heimelijke relatie tussen Rusland en Turkije en het cynische instrumentele gebruik van de oorlog en van de vluchtelingen uit Syrië, een fenomeen dat Žižek ‘Putogan’ noemt. Er valt uiteraard ook te discussiëren over de uitbraak van COVID-19 in Wuhan en de rol van de Chinese staat in het verdoezelen van de omvang van de crisis, om dan, wanneer ze beweren dat het virus onder controle is, te waarschuwen dat de mensen in het weekend zullen moeten werken om de verloren tijd in te halen. Hier toont het kapitalisme in China de diepte van de crisis, een crisis van het politiek-economische systeem dat het virus in staat stelde in de menselijke soort te duiken om zich vervolgens te verspreiden.

Hier zijn vleugjes van Žižek’s ouwe maoïsme te bespeuren, en hij kan het niet laten om te beweren dat dit soort zaken in de goeie oude tijd nooit zo ver zouden gekomen zijn: “moest het voor de hervormingen van Deng Xiaoping zijn gebeurd hadden we er waarschijnlijk niet eens iets van gehoord”. Deze hedendaagse ramp doet hem denken aan Naomi Klein’s analyses van het “rampenkapitalisme”; wanneer de aard van de inslag op het systeem op zo’n manier wordt omgespoord dat kapitaalopbouw meteen kan worden heropgestart op de gebroken lichamen van de arbeiders.

Eigenlijk geeft Zizek in dit boek een dubbel antwoord op COVID-19. Het eerste is een nogal verrassende zelfhulp-boodschap over het belang van dagstructuur en routine voor mensen die te lijden hebben onder de lockdown; een boodschap aan zichzelf misschien. Hier sluit een goede discussie aan over verschillende vormen van vermoeidheid, waarin hij het onderscheid maakt tussen het soort vermoeidheid door fysieke mechanistisch herhaalde activiteit – klassieke vervreemdende arbeid gedurende de tijd die wordt besteed aan het uitoefenen van arbeidskracht die wordt verkocht aan een werkgever – en een ander soort vermoeidheid die mensen treft die voor anderen zorgen, wat in de feministische analyse (die hij niet vernoemt) ‘emotionele arbeid’ zou worden genoemd. Zijn advies: ‘Denk niet te veel op de lange termijn, concentreer je gewoon op vandaag, wat je gaat doen tot je gaat slapen’, en hier duikt een quasi-psychoanalytische lijn op: “identificeer jezelf met je symptoom, zonder enige schaamte, wat betekent (ik vereenvoudig hier een beetje): eigen jezelf alle kleine rituelen toe, formules, eigenaardigheden, enzovoorts, die je dagelijks leven helpen stabiliseren”.

Dit zelfhulp-motief tracht tegemoet te komen aan de angsten van zij die deze nieuwe omstandigheden passief moeten ondergaan, maar het bevat ook een gebod om zich met anderen bezig te houden. En misschien ‘zullen sommige mensen op zijn minst hun tijd  verlost van de jachtige bedrijvigheid gebruiken en nadenken over de (on)zin van hun hachelijke situatie’. Žižek wijst op iets waar marxisten zich niet erg over zullen verbazen, maar het kan wel herhaald worden; dat degenen die zich met de wereld bezighouden, actief iets doen, minder gevoelig zijn voor fatalistische paranoïde fantasieën over onaardse samenzweringen die zich nu bijna net zo snel als het virus zelf verspreiden: ‘als er geen grote verandering in onze dagelijkse werkelijkheid plaatsvindt, dan wordt dreiging ervaren als een spookachtige fantasie die nergens te zien is en daarom des te krachtiger is’.

Het tweede aspect van Žižek’s antwoord is zijn toevlucht tot “communisme” als oplossing voor de onderliggende problemen die COVID-19 nog uitvergroot, namelijk de problemen van het kapitalisme zelf. Hier moeten we ons echter afvragen wat dit “communisme” waar Žižek het over heeft juist inhoudt. Het lijkt er in de meeste gevallen op -en hij zegt het ook zelf- dat dit een soort communisme is dat zich voordoet op een moment dat wij, mensen, ‘er allemaal samen in zitten’ en we de staat moeten aansporen om in actie te treden. Dit gaat niet over communisme in de vorm van een zelforganisatie van arbeiders, maar communisme in de vorm van een noodzakelijk dialectisch moment in de ontwikkeling van het kapitalisme zelf in tijden van crisis.

Hier komen de aloude Žižek-motieven van “overidentificatie” tevoorschijn, van aanspraak te maken op de staat en de staat om verantwoording te vragen: “Mensen hebben gelijk wanneer ze de macht van de staat verantwoordelijk stellen: jij hebt de macht, laat ons nu zien wat je kunt doen!” Deze crisis maakt de weg vrij voor wat hij “rampencommunisme” noemt, als tegengif voor rampenkapitalisme. Intussen heerst wel het gebod om te blijven denken: “We moeten hier Immanuel Kant volgen die over de wetten van de staat schreef: “Gehoorzaam, maar denk na, behoud de vrijheid van het denken!”

Er zijn uiteraard grenzen aan deze strategie en een andere uiting van Žižeks eigen politieke ontmoediging na zijn ervaringen met de staatsmacht in Slovenië en de ineenstorting van het werkelijk bestaande ‘communisme’, wat wij als stalinisme begrijpen.

Niettemin beargumenteert hij dit heel netjes in zijn boek, met enkele mooie dialectische omkeringen. In een discussie over het Orban-regime in Hongarije bijvoorbeeld, citeert hij de anti-linkse bewering dat de liberalen die Orbán bekritiseren eigenlijk vermomde communisten zijn, erger nog, een opgeleide liberale elite die daarom nog des te slinkser is; liberalen zijn volgens Orbán communisten met een diploma. Welnu, goed, zegt Žižek, laten we dit terugnemen, waarom niet, en de bewoordingen van deze toespeling omkeren: “degenen onder ons die zichzelf nog steeds als communisten beschouwen, zijn liberalen met een diploma – liberalen die serieus hebben bestudeerd waarom onze liberale waarden worden bedreigd en zich ervan bewust zijn geworden dat alleen een radicale verandering ze kan redden”.

Žižek moet dit boek sneller hebben geschreven dan ik deze recensie schreef om zo snel van de baan te zijn; het is over het algemeen goed materiaal, en zeker de moeite waard om te lezen, en als je snel bent kun je het gratis downloaden bij OR Books.

 

*Ian Parker is marxist en psychoanalyst. Hij is emeritus professor Management in de School of Business aan de University of Leicester.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *