COVID-19: Oorlogsretoriek is sociaal, niet gevaarlijk

Door Martin Schoups*

Verschillende commentatoren maken opwerpingen tegen de oorlogsretoriek die vandaag gehanteerd wordt. Zulke taal zou “dubieus” of zelfs “gevaarlijk” zijn. Vanuit historisch perspectief is die retoriek echter zo gek nog niet. In feite heeft ze zelfs een sociale functie. Net als een oorlog is een pandemie immers een gemeenschappelijke strijd. Waar onze afzonderlijke levens normaal alle kanten op stuiteren en iedereen in zijn eigen exclusieve ‘bubbel’ leeft, worden we nu plots verbonden door dezelfde vijand. Die kan alleen maar overwonnen worden als iedereen de opgelegde marsorders daadwerkelijk opvolgt. Daarbij is iedereen gelijk voor de wet. Niet toevallig zijn het ook vandaag net de meest geprivilegieerde groepen die zich daar het moeilijkst naar kunnen schikken. Ze zijn verontwaardigd dat ze niet meer kunnen genieten van hun extraatjes: een tweede woning, poetshulp, citytrips, en sportieve  fietstochtjes. Het gros van de bevolking heeft hier minder moeite mee, omdat ze hier sowieso van verstoken is.

Zoals we ook in oorlogsdagboeken kunnen teruglezen, roept een  crisistoestand als deze op de straat vooral sterke emoties van samenhorigheid op. We zien solidariteitsacties en het ontstaan van een krachtige gedeelde symboliek met lakens, knuffels en applaus. Gelijkaardige rituelen  kennen we uit oorlogstijd toen massaal de vlag werd uitgestoken en kleine gezamenlijke rituelen het dagelijkse leven markeerden. Die lotsverbondenheid doet tegelijkertijd de sociale controle toenemen. Burgers gaan elkaar nauwgezetter in het oog houden. Normovertreders worden publiekelijk te schande gemaakt, een praktijk die in oorlogstijd erg courant was. Daar is helemaal niets mis mee. Oorlogshistorici hebben aangetoond dat zulke morele verontwaardiging een belangrijke functie heeft in een tijd waarin collectieve offers gebracht moeten worden. De angst voor publieke vernedering doet mensen zoveel mogelijk in de pas lopen. De woede is daarbij vaak groter dan het eigenlijke kwaad. Twee groepen in het bijzonder zijn kop van jut. Enerzijds richt men zich tegen die groepen die profiteren van de schaarste, of juist schaarste creëren: de oorlogsprofiteurs en de hamsteraars. Aan de andere kant viseert men de groep die zichtbaar wilt blijven “genieten”, ondanks de ellende. Het zijn vandaag echter niet de dikbuikige collaborateurs die aan de schandpaal genageld worden, maar de “lock down-partiers” en weerspannige zonnebaders. Pieter De Crem vertolkt dus alleen maar het collectieve buikgevoel wanneer hij deze praktijken streng aan banden wil leggen. 

Natuurlijk is het een illusie te denken dat iedereen vandaag gelijke offers brengt. Maar ook dat is niet anders dan in oorlogstijd. Aan het front waren de soldaten tijdens de wereldoorlogen voor het overgrote deel afkomstig uit de armere bevolkingslagen. We zien vandaag hetzelfde bij de beroepsgroepen die deze crisis moet bemeesteren. De oorlogsvergelijking mag op sommige punten dan mank lopen, op dit punt blijkt ze meer dan adequaat. Juist de minst betaalde beroepsgroepen moeten vandaag doorwerken om het land draaiende te houden. Het zijn meestal net die groepen die de voorbije decennia extra te lijden hebben gehad onder allerlei neoliberale flexibiliserings- en besparingsprogramma’s. De morele erkenning die verplegers, vrachtwagenchauffeurs en vuilnismannen vandaag krijgen, staat in schril contrast staat met de gebrekkige maatschappelijke waardering voor hun beroep.

In dat licht is het geweeklaag van gefrustreerde wieler- en kusttoeristen vandaag wel erg pijnlijk. Is het zo moeilijk om even verder dan de eigen navel te staren? Op zich mag dat niet verwonderen. Het is consequent met de zelfbedieningspolitiek van de hooggeschoolde gepriviligieerden van de afgelopen decennia  jaren. De neergang van de traditionele arbeiderspartijen heeft de goegemeente haast doen vergeten dat er in dit land nog altijd een arbeidersklasse bestaat. Vandaag vangt ze de eerste klappen op en knapt ze het vuile werk op. De witte boorden  kunnen voor het grote deel veilig thuiswerken.

Maar uit de oorlogservaring weten we dat zulke ongelijke inspanningen nazinderen. Na de wapenstilstand  namen de frontsoldaten geen genoegen met medailles. De politieke elites die dat niet begrepen hadden, kregen woedende oud-strijders aan hun voordeur. Ook vandaag gist de onvrede in de combi’s, winkels en ziekenhuizen. De Belgische regering stelt een “corona bonus” in het vooruitzicht. Die bonus lijkt onvoldoende en moet breder gaan. De werkvoorwaarden van deze beroepen dienen dringend verbeterd, nu en na de epidemie. De maatschappelijke naklank van alle mooie steunbetuigingen dreigt anders erg hol te luiden. De oorlogsretoriek vandaag heeft dus wel degelijk zin. Ze maakt duidelijk wie in de vuurlijn en wie in het krijt  staat. 

*Historicus en onderzoeker aan de Universiteit Gent

2 thoughts on “COVID-19: Oorlogsretoriek is sociaal, niet gevaarlijk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *