Kere weer om Reuzegom: macht en haar perversie

De zaak Chovanec, het voorval van Sanda Dia, het politiegeweld in de VS en de vernederende en racistische commentaren die zijn opgedoken in de facebookgroepen van de Federale en Antwerpse politie, ze tonen allen een perversiteit aan, daar waar je het in eerste plaats net niet zou verwachten: bij de vertegenwoordigers van de ‘goede orde’ zelf. 

Hoe werkt perversie? Perversie betekent letterlijk ‘verdraaiing’ of ‘omkering’ van de wet. De psychoanalyse leert dat iemand die pervers handelt, niet simpelweg buiten de wet en de sociale codes handelt, maar er strikt van afhangt. Als je kijkt naar de ‘creativiteit’ van de Reuzegommers, merk je dat ze net erg bezig zijn met de vraag hoe ze op de meest ultieme manier de sociale codes kunnen overtreden (mensen en dieren (laten) vernederen en mishandelen). Perversie gaat dus niet om iets buiten de wet, maar iets dat, door het bestaan van de wet, er tegenin kan gaan. Bovendien stellen de daders de grens tussen wet en wetteloosheid tentoon. Pervers genot is ‘bevredigd’ wanneer de dader bij het slachtoffer een blik van wanhoop en bij hun toeschouwers fascinatie kan opvangen waarmee de eigen straffe- en wetteloosheid, en dus de eigen macht wordt erkend: ‘ik moet me niets aantrekken van de wet waaraan jij strikt onderworpen bent’. Dergelijke voorvallen zijn dus betekenisloos als ze niet geëtaleerd, verteld, gefilmd, getoond worden (zie bijvoorbeeld hoe de agente laconiek haar collega’s op een Hitlergroet trakteerde terwijl Chovanec met de dood worstelt). Die enscenering is daarom ook vaak het punt waardoor zo’n voorvallen publiek uitkomen.

Marquis de Sade – naar wie het sadisme genoemd is – schreef dat het zijn ultieme droom was dat zijn slachtoffers zijn folterpraktijken eindeloos zouden kunnen uithouden zonder te sterven, zodat het lichtje van complete wanhoop in hun ogen niet uitdooft en genot eeuwig en continu kan blijven aanslepen.

Verder zijn de zaken Chovanec en Sanda Dia ook uitgekomen omdat het slachtoffer gestorven is. Niet alleen is moord een ultiem misdrijf, het is ook het punt waarop perversiteit haar zin verliest.[1] Perversie heeft geen dood tot doel, integendeel. Marquis de Sade – naar wie het sadisme genoemd is – schreef dat het zijn ultieme droom was dat zijn slachtoffers zijn folterpraktijken eindeloos zouden kunnen uithouden zonder te sterven, zodat het lichtje van complete wanhoop in hun ogen niet uitdooft en genot eeuwig en continu kan blijven aanslepen.[2] Sadisme werkt niet als er geen ‘feedback’ komt[3]: het krijgt zijn brandstof niet uit de dood (niets) van zijn slachtoffer, maar uit zijn ultieme vernedering, uit zijn eindeloze reductie tot niets. Vraag is daarom niet (slechts) hoe het komt dat er mensen sterven, maar wel hoe alomtegenwoordig het fenomeen wel is, gezien perversiteit volgens haar eigen logica niet tot de dood mag leiden en onderhuids moet blijven om in haar opzet te slagen.

Perversie draait dus rond een fundamenteel onderscheid: een verschil tussen zij die boven de wet staan en zij die eraan onderworpen zijn. Maar er is meer. Het verschil tussen de twee blijft niet zomaar iets abstract, want het is net de moedwillige demonstratie van dit verschil die deze perverse voorvallen pervers maken.

Je kan je daarom ook afvragen of de rellen in Blankenberge en de uitgelokte aanvallen met molotovcocktails op de hulpdiensten in de Marollen niet aan dezelfde logica voldoen. Deels wel. De relschoppers zijn ook pas bevredigd door de wanhoop in de blik van de orde- of hulpdiensten en de fascinatie van wie de filmpjes van hun optreden zien. Toch verschillen deze rellen sterk van bovenstaande voorvallen. Wat betreft de rellen zijn er twee kampen, de goede orde en haar overtreders duidelijk onderscheiden. De relschoppers vallen de goede orde aan van buitenaf. Wanneer ze op hun beurt aangepakt worden door de goede orde die ze uitdaagden, is de orde weer in ere hersteld. De polemiek rond het feit of dit wel (snel en hardhandig genoeg) gebeurt is daaraan secundair – het is op zich geen gevaar voor de stabiliteit van de orde zelf.

De wet, het ultieme gelaat van perversie

Als we deze rellen een perversie tegen de orde kunnen noemen, is er daarentegen ook een perverse dynamiek eigen aan de goede orde zelf. Misschien is dit wel de meest ultieme perversie. Dit soort perversie is erg modern. Het stelt de contradicties van de moderne staat tentoon. Enerzijds gaat het om de paradox eigen aan het gelijkheidsbeginsel (“iedereen gelijk voor de wet” of “de wet geldt voor iedereen”). Om dit principe te kunnen laten gelden, moet er namelijk een onderscheid zijn tussen (1) zij die het principe moeten naleven (burgers, organisaties, …) en (2) zij die instaan voor de uitvoering en naleving ervan (de vertegenwoordigers, de ordediensten, justitie, …). “Iedereen gelijk voor de wet” geldt dus in de meest strikte zin slechts voor de eerste groep, gezien de tweede groep zelf per definitie minimaal buiten het toepassingsgebied van de wet moeten staan om ze te doen gelden (zie bv. ‘monopolie van geweld’, ‘parlementaire onschendbaarheid’, …). Er zijn bijvoorbeeld geen absolute wetten over welke wetten je mag maken; wetgeving valt dus zelf niet geheel onder de wet, etc.

Perversie is dus uiteindelijk de demonstratie van de werking van de goede orde zelf, en meer specifiek van de paradoxen die de orde tegelijk mogelijk en onmogelijk maken. Het is een bevestiging van de macht, en van het onderscheid tussen wie zich achter de wet kan verschuilen en wie aan de wet moet gehoorzamen. Perversie van de macht is de tentoonstelling van de macht van macht zelf.

De paradox van het gelijkheidsbeginsel wijst op een andere paradox eigen aan de vertegenwoordiging van de macht. De ‘goede orde’ werkt maar doordat vertegenwoordigers van die orde instaan voor haar naleving. Maar ‘vertegenwoordigen’ of ‘instaan voor’ veronderstelt dat er iets is dat je vertegenwoordigt, dat er iets is waarvoor je de plaatsvervanger bent. Maar als, zoals uit de paradox van het gelijkheidsprincipe blijkt, de orde zelf maar werkt door haar vertegenwoordiging, creëert vertegenwoordiging zelf wat het vertegenwoordigt. Met andere woorden, de vertegenwoordigers lijken in eerste plaats maar onbeduidende ‘uitvoerders’ te zijn van de ‘orde’, waarvoor ze zelf de verantwoordelijkheid niet dragen. Tegelijkertijd bestaat die hogere orde niet rechtstreeks, je kan er niet naartoe om bepaalde zaken aan te klagen die de vertegenwoordigers ervan misdoen, zonder opnieuw op de vertegenwoordigers ervan de botsen, want de hogere orde bestaat maar doordat de vertegenwoordigers ernaar verwijzen en in haar plaats komen te staan. Orde en haar vertegenwoordiging zitten dus in een vicieuze cirkel die enkel dient om zichzelf te legitimeren (‘de procedures zijn gevolgd’). De wet en haar uitvoering hebben dus fundamenteel geen grond buiten zichzelf.

We spreken over de perversie van de goede orde als de vertegenwoordigers ervan moedwillig het verschil tentoonstellen tussen het afwezige fundament van de goede orde (“Wat ga je tegen mij doen?”, “Bij wie denk je klacht in te dienen?”, …) en de sereniteit waarmee die orde op haar burgers van toepassing is (“ik verzin de regels niet”, “de wet is de wet”, …) voor geen enkele andere reden dan zuiver machtsvertoon. Perversie is dus uiteindelijk de demonstratie van de werking van de goede orde zelf, en meer specifiek van de paradoxen die de orde tegelijk mogelijk en onmogelijk maken. Het is een bevestiging van de macht, en van het onderscheid tussen wie zich achter de wet kan verschuilen en wie aan de wet moet gehoorzamen. Perversie van de macht is de tentoonstelling van de macht van macht zelf. In tegenstelling tot andere perverse gevallen van geweld, verschuilen de daders zich hier achter het gelaat van de orde die ze perverteren. Wet en wetteloosheid lopen naadloos in elkaar over. Wie bracht bijvoorbeeld de hierboven beschreven voorvallen aan het licht? In elk geval niet justitie (in het geval van Sanda Dia), noch de politie, comité P of het ministerie (in het geval Chovanec en andere gevallen van politiegeweld en obsceniteiten), maar de media. Meer nog, de betrokken machtsinstanties doen er alles aan om deze gevallen te verdoezelen, te ‘vergeten’ en te minimaliseren.

Na de daad waarbij de goede orde wordt overschreden door de bewaarders ervan, met de bedoeling de wet aan anderen te doen aanvoelen, botst het slachtoffer op de Kafkaiaanse muur van de goede orde zelf. Het is overduidelijk dat antwoorden als ‘de procedure werd gevolgd’ op de vraag of de dood van Chovanec wel correct verliep, het obsceen laconiek machtsvertoon met de Hitlergroet compleet negeert en dit negeren enkel de orde zelf dient. Zo reproduceert de orde het probleem (sociaal onrecht) waar ze officieel een oplossing voor is. We kunnen hier Bertold Brecht aanhalen: “wat stelt een bankoverval voor vergeleken met de oprichting van een nieuwe bank?” Wat is een kleine, marginale en zwaar bestrafte overtreding (zoals verward of agressief gedrag van een individu), vergeleken met de aberratie eigen aan de sociale orde zelf (onbestraft vernederen – met in deze gevallen de dood tot gevolg), die zo alomvattend is dat ze bijna niet wordt gezien?

Als perversie de manier is waarop de goede orde werkt, moeten we dit dan gewoon als algemene wet aanvaarden? Zoals de recentelijk onthulde voorvallen bevestigen is er toch steeds een verschil tussen deze ‘algemene’ machtsdynamiek en de specifieke manier waarop ze tot uiting komt. Het verschil tussen de vertegenwoordigers van de macht en diegenen waarop de macht van toepassing is, is namelijk zeer flou. Zonen van rechters, verankerde bedrijfsleiders, lobbyisten en de studiekameraden van machtshebbers zullen van de macht veel sneller een knipoog krijgen dan anderen. Het verschil tussen vertegenwoordigers van de macht en ‘gewone’ burgers komt niet overeen met neergeschreven statuten. Voorvallen als deze leren hoe juist dit verschil wordt gemaakt, welke schaduwideologie macht en machteloze onderscheidt. De vraag die we ons dus moeten stellen is: welk onderscheid komt er tot uiting in deze voorvallen?

“Handjes kappen, de Congo is van ons!”

Een van de meest ultieme illustraties van een hedendaagse perverse machtsdynamiek die geen ander doel dient dan zichzelf te paaien, zit misschien wel in de wansmakelijke leuze “handjes kappen, de Congo is van ons” waarmee, zoals uit een filmpje is gebleken, de Reuzegommers een dakloze lastigvielen. ‘Handjes kappen’ slaat in eerste instantie natuurlijk op de barbaarse straf van de Force Publique in Congo vrijstaat onder Leopold II. Officieel was het een straf voor het niet behalen van voldoende rubberquota. In deze zin had het, hoe barbaars dan ook, nog een ‘nut’: de rubberproductie stimuleren.

De bedrijvigheid van handen afhakken, verzamelen, tellen, transporteren, uitwisselen en ermee te koop lopen werd een ultiemer doel dan de bedrijvigheid in rubber zelf, waardoor zelfs de middelen voor rubbertransport moesten wijken

Maar is dit wel waarom handen werden afgehakt? Uit alle voorbeelden blijkt namelijk dat handen afhakken de rubberproductie niet alleen niet stimuleerde, maar ook nog eens volledig tegenwerkte: de afgehakte handen zijn enerzijds nodig zijn om rubber te produceren, maar anderzijds, en meer fundamenteel, werd de bedrijvigheid van handen afhakken, verzamelen, tellen, transporteren, uitwisselen en ermee te koop lopen een ultiemer doel dan de bedrijvigheid in rubber zelf, waardoor zelfs de middelen voor rubbertransport moesten wijken:

“De manden met afgehakte handen, neergezet aan de voeten van de Europese bevelhebbers, werden het symbool van Congo-Vrijstaat… De verzameling handen werd een doel op zich. Soldaten van de Force Publique brachten ze naar de stations in plaats van rubber; ze gingen zelfs op pad om ze te oogsten in plaats van rubber… Ze werden een soort valuta. Dit, om te worden gebruikt om tekorten in rubberquota te compenseren, voor het vervangen van… mensen die werden gevraagd om dwangarbeider te zijn; en de soldaten van de Force Publique ontvingen hun bonussen op basis van het aantal handen die ze hadden verzameld.”[4]

“Handjes kappen” is dus een perfecte illustratie van een obscene praktijk zonder enig ander nut dan zuivere machtsdemonstratie – “wij, hier, jij daar, wij ondermijnen actief de officiële doelen en jij betaalt daar de prijs voor”. De praktijk functioneert als een vicieuze cirkel die het niet uiterlijk waarneembare onderscheid tussen de producerende slavenarbeiders en zij die met de vruchten ervan gingen lopen, inschreef in waarneembare verschillen (ras, afkomst, religie, …). Deze secundaire ‘waarneembare’ verschillen zijn onmogelijk te veranderen, niet alleen omdat je die verschillen niet zomaar kan veranderen (verandering van ras, van religie, van ‘gewoontes’), maar omdat deze verschillen er in werkelijkheid helemaal niet toe doen. Stel dat je van huidskleur zou kunnen veranderen, dan zal er steeds nog een ander verschil gevonden worden waardoor het klassenonderscheid jouw lot zal blijven.

Zelfs nu Congo geen Belgische kolonie meer is, nu rassenonderscheiden en dwangarbeid verboden zijn, nu iedereen officieel gelijk is voor de wet en niemand de wet zomaar kan ontlopen, dan nog verandert het niets aan die fundamentele onoverbrugbare virtuele, maar onsterfelijke ongelijkheid. Dát is de boodschap die de Reuzegommers vandaag hun ‘ongelijken’ willen doen aanvoelen. Dries Van Langenhove probeerde de individuele verantwoordelijkheid voor deze praktijk te vertroebelen door te zeggen dat dit “edgy studentenliedje […] bijna op elk feestje wordt gezongen.”[5]

De schaduwideologie waarmee o.a. de Reuzegommers zichzelf van anderen onderscheiden berust op asymmetrische rassen- en klassenverschillen.

Los van de terechte bedenking dat dit misschien veel zegt over het milieu van de feestjes die Van Langenhove frequenteert, bevestigt hij daarmee in feite ook net hetgeen hij zo vaak tegenspreekt, namelijk dat structureel racisme bestaat. Zij het in de vorm van een virtuele macht waar ‘de Congo is van ons’ ‘maar’ naar verwijst, maar die tegelijkertijd, door de perversiteit van zo’n obscene praktijken als zwarten ermee te belagen om hun wanhoop te kunnen aflezen, van die virtuele macht iets actueels maken. De schaduwideologie waarmee o.a. de Reuzegommers zichzelf van anderen onderscheiden berust dus op asymmetrische rassen- en klassenverschillen.

Een (denkbeeldig) tegenvoorbeeld: stel je voor dat er bij de arrestatie van een blanke burger een aantal politieagenten verzen van de Koran reciteren en de gearresteerde een extra schop geven (laat staan hem ‘volgens de procedure’ doen verstikken). Toenmalig minister Jambon zou dit (terecht natuurlijk) niet hebben vergeten, hij zou de gerechtelijke beslissing niet hebben afgewacht om tuchtmaatregelen te nemen, laat staan dat hun collega’s een oogje zouden hebben dichtgeknepen of ‘de rangen’ zouden hebben ‘gesloten’.

Schuld en boete: de perversie zelf perverteren

Het valt best voor te stellen dat de meeste leden van de Reuzegom en de politie zich niet op zichzelf zo pervers en sadistisch gaan gedragen. Zoals duidelijk werd in de verschillende reconstructies, viel de Reuzegom terug op het mythische statuut van hun traditie: historische ‘schachtentemmers’ die een absolute obsceniteit in hun aanpak van de studentendoop vertegenwoordigen. De obscene doop dient om te proeven van de macht die ze hiermee installeren.[6]  De (meeste) leden voelden zich hoogstwaarschijnlijk niet zelf verantwoordelijk voor deze eis en voerden ‘hun taak’ uit alsof ‘de Reuzegom’ zelf aan het werk was. De meeste leden, zoals ook de meeste politieagenten, beperken zich waarschijnlijk tot ‘ik stond erbij en ik keek ernaar’: ik ben maar een kleine pion in het alomvattende werk, ik voer slechts uit wat me wordt opgedragen, help de noodzakelijke verdoezeling een stukje, maar ben zelf niet essentieel, ik lach wat mee. Zo doopt het ritueel de illusie van een ‘virtuele macht’ achter de vertegenwoordiging ervan om tot de actuele macht van een illusie.

Deze voorvallen tonen op zijn minst aan hoe klassen- en rassenverschillen via onofficiële en indirecte weg in de werking van onze samenleving raken zonder dat ze als dusdanig neergeschreven zijn. Verder kunnen we ook niet anders dan zeggen dat ondanks de goede bedoelingen van een individu en de ‘groepsdruk’ van een collectief, het individu toch volledig verantwoordelijk is voor wat hij doet, ook al sta je erbij en kijk je ernaar. Zoals de filosoof Slavoj Zizek (over stalinisme) schrijft, ben je “verantwoordelijk omwille van het genot dat je ondervindt bij het uitvoeren van wat je wordt opgelegd, omdat je dit genot verkrijgt als een bijproduct, zonder ervoor (‘officiëel’) verantwoordelijk te zijn,”[7] (ook al wil je van dit genot niets weten).

Misschien is het enige pad van werkelijke vergeving (op grote schaal dan) wel – iets waardoor nabestaanden nota bene ook blijven procederen – om je schuld om te zetten in het veranderen van het kader waarbinnen de schuld kan bestaan, zodat dergelijke voorvallen niet meer mogelijk zijn.

Het genot dat je als toeschouwer verkrijgt, verraadt dat je geen buitenstaander bent. Door erbij te staan en ernaar te kijken, vervul je net de omstandigheden waarin bovengenoemde perversie mogelijk blijft. Met andere woorden, zonder oogluikend ‘tolererende’ omstanders geen Reuzegom, geen pervers politie-apparaat, … Toch bestaat de taak er niet in om verliefd te worden op die schuld. Het probleem is niet dat dit te ‘toegeeflijk’ zou zijn, het probleem is net dat dit niets verandert, er zit namelijk eveneens een bijkomstig genot in zelfbeschuldiging, en zo bevestigt het enkel dezelfde structuren waarbinnen je eigen (collectieve) schuld zin heeft (het ‘uitbuitende Westen’, ‘de schuld van de blanke man’). Schuld kan enkel langdurig zijn voor zover je de structuren waarin het bestaat weet te behouden. Misschien is dat wel een enkele positieve noot als afsluiter: zowel (de nabestaanden van) het slachtoffer als de schuldige(n) zelf geraken geen stap verder met ‘louter’ vergeving (zoals de uitingen van spijt en berouw, sociaal vrijwilligerswerk, herstelgesprekken, etc. die Luc Sels voorstelde), gezien het niet aan de fundamenten raakt die het probleem in eerste instantie mogelijk maakten. Misschien is het enige pad van werkelijke vergeving (op grote schaal dan) wel – iets waardoor nabestaanden nota bene ook blijven procederen – om je schuld om te zetten in het veranderen van het kader waarbinnen de schuld kan bestaan, zodat dergelijke voorvallen niet meer mogelijk zijn.

Ik denk dat de meesten het zoveelste liberale pleidooi voor inclusieve diversiteit binnen de ordehandhaving, etc. ook wel grondig zijn beu gehoord. Niet omdat dit niet hoeft of te radicaal is, maar net omdat het niet voldoende werkt, al zeker niet als stokpaardje. De liberale inclusie lijkt in eerste plaats te streven naar een nobel doel – iedereen moet erbij – maar geeft tegelijkertijd ook toe dat de voltooiing ervan (racisme beëindigen door iedereen mee vertegenwoordigd te krijgen) steeds opnieuw naar later wordt uitgesteld. Binnen dit idee kan elk racistisch voorval (zoals deze bij de politie) slechts een bewijs zijn dat we inclusie nog meer moeten bevorderen, en nooit een bewijs tegen de efficiëntie van die strategie zelf. Het lijkt dus eerder een manier te zijn om de vraag rond de systemische oorzaken van racisme te vermijden en dus uiteindelijk een manier om het probleem te blijven herhalen. Hoe kan je dit dan veranderen?

Ik denk dat ik in dit artikel voldoende heb aangetoond dat de perversiteit van de goede orde eigen is aan de afwezige fundamenten van moderne staatsorde zelf, waardoor schaduwideologieën de taak opnemen om de macht te laten versterken, in deze gevallen door machtsongelijkheden in rassen- en klassenonderscheiden tentoon te stellen. Deze onderscheiden zijn niet officiëel en vinden hun weg indirect. Bovendien mogen ze niet officiëel en direct zijn om te kunnen werken. Het begin bestaat er daarom misschien in om deze vluchtige dynamiek in eerste plaats verder open te rijten en bloot te leggen zodat het zijn consistentie verliest.

Voetnoten

[1] “Het perverse verlangen berust op het ideaal van een levenloos object [object in de zin van wat het wil bereiken]. Maar dit verlangen kan geen bevrediging vinden in de verwerkelijking van dit ideaal. Want van zodra dit verlangen zijn ideaal verwerkelijkt en zijn (levenloos) object bereikt, verliest hij het object. De vervulling van dit verlangen is bijgevolg door zijn eigen structuur veroordeeld om maar te kunnen worden gerealiseerd vóór zijn eigen voltooiing doordat ofwel het verlangen uitsterft of zijn object verdwijnt”. (Lacan, Le séminaire Livre 1, Les écrits techniques de Freud, Paris: Seuil, les 12, eigen vertaling.) Met andere woorden, zodra het object levenloos is, verdwijnt het verlangen zelf om de levenloosheid van dit object te bereiken.

[2] Volgens Jacques Lacan is de fundamentele Sadiaanse fantasie: “the fantasy of another, ethereal body of the victim, which can be tortured indefinitely and nonetheless magically retains its beauty (see the standard Sadean figure of a young girl sustaining endless humiliations and mutilations from her deprived torturer and somehow mysteriously surviving it all intact, in the same way Tom and Jerry and other cartoon heroes survive all their ridiculous ordeals intact).” Zie https://www.lacan.com/zizlovevigilantes.html

[3] “Eén ding is zeker – de sadistische relatie kan maar stand houden zolang de andere, het slachtoffer, net op de grens ligt waar nog een subject is [net geen levenloos object]. Als er niets anders over is dan reagerend vlees, een weekdier waarvan de randen zinnenprikkelend en palpiterend zijn, is er geen sadistische relatie meer. Het sadistische subject zal het daar bij laten, plots geconfronteerd met een ‘leeg, gapend, hol’.” (Lacan, Le séminaire Livre 1, Les écrits techniques de Freud, Paris: Seuil, les 17, eigen vertaling.)

[4] Forbath, The River Congo: The Discovery, Exploration and Exploitation of the World’s Most Dramatic Rivers. Harper & Row (1977), pp. 374. ISBN 0-06-122490-1. Geciteerd op https://nl.wikipedia.org/wiki/Gruweldaden_in_Congo-Vrijstaat#cite_note-12

[5] https://www.standaard.be/cnt/dmf20180824_03681603

[6] Zie bijvoorbeeld wat de advocaat van de moeder van Sanda Dia over de mentaliteit van de Reuzegommers zegt: “Maar de sfeer waarin dit dossier baadt, de mentaliteit van die Reuzegommers, dat is een andere zaak. Daar is duidelijk wel sprake van een zeker klassenbewustzijn. Of moet ik zeggen klassenzelfbewustzijn? Het is een mentaliteit die ik zonder aarzelen ongezond, toxisch en elitair durf te noemen. Misprijzend tegenover gewone mensen en maatschappelijke regels. Onder het motto: ‘Wij zijn dé mannen, wij staan overal boven, wij kunnen ons alles permitteren, wij zijn de elite van de toekomst.’ Dat dedain, dát vind ik tekenend.” https://www.demorgen.be/nieuws/het-was-de-bedoeling-dat-sanda-zou-lijden-en-zwaar-ook~baa96e4b/

[7] Zizek, S., Hegel in a Wired Brain, Bloomsbury, 2020, p. 116. eigen vertaling

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *